Home » Blog » Gaan wij de Grote Verdrukking meemaken? (II)

Gaan wij de Grote Verdrukking meemaken? (II)

Gepubliceerd op 29 april 2021 om 12:50

In een vorige blog hebben we laten zien dat men de ‘grote verdrukking’ niet gelijk kan stellen aan de verovering van Jeruzalem in het jaar 70, zoals het preterisme meent. Want het betreft een periode van wereldwijde onderdrukking van het Bijbelgetrouwe christendom, zo is op te maken uit Openbaring 7:9-17. Bovendien is het de hevigste vervolging die ooit zal voorkomen.

Nogal wat bijbeluitleggers zien dit anders. Zij zijn namelijk van mening dat de grote verdrukking pas zal plaatsvinden nadat de gemeente in de hemel (Vaderhuis) is opgenomen. Maar is dit een juiste visie? Hebben we hier niet te maken met de wens die de vader is van de gedachte? Het idee van een opname van de gemeente vóór de grote verdrukking kwam in de vroege kerk helemaal niet voor. Pas in de 19e eeuw zien we dat deze opvatting wordt verbreid, met name door John Nelson Darby, de grondlegger van de beweging van de Brethren (in Nederland ‘Vergadering van gelovigen’). In onze tijd zijn het met name Hal Lindsey (van het boek ‘De planeet die Aarde heette’) en Tim Lahaye (van de serie ‘Left behind’) geweest die deze uitleg hebben gepopulariseerd.

Wat is het probleem? Er is geen enkele directe Bijbeltekst te vinden die deze visie ondersteunt! De Heer Jezus spreekt wel over de opname, maar juist ná de grote verdrukking. Zie Mattheüs 24:29-31. En ook Paulus noemt de opname in 1 Thessalonicenzen 4 en 2 Thessalonicenzen 2. In dit laatste hoofdstuk noemt hij deze gebeurtenis ‘het tijdstip waarop we met Hem worden verenigd’. Maar, zoals hij uitlegt, dit zal niet eerder kunnen gebeuren dan nadat er eerst iets anders plaats heeft gevonden. Namelijk de manifestatie van de antichrist. Deze zal zich in de dan herbouwde tempel laten vereren als een god (2 Thessalonicenzen 2:4). De Heer Jezus noemt dat de ‘verwoestende gruwel’ die op de ‘heilige plaats zal staan’, waarbij hij Daniël 9:27 aanhaalt.

De antichrist komt pas op het toneel nadat 'dat wat tegenhoudt' is weggenomen, zo staat het in 2 Thessalonicenzen 2:6,7. Kijk, zeggen de voorstanders van de opname voor de grote verdrukking: “daarmee bedoelt Paulus de heilige Geest.” Als de gemeente wordt opgenomen, dan zal daarmee ook de heilige Geest niet meer op aarde aanwezig zijn. Dan heeft het kwaad de vrije hand. Dus de tegenhouder is de heilige Geest, volgens deze theologie.

Maar als dat waar is, is Paulus dan niet op een erg onlogische manier aan het redeneren? Ten eerste, hij had het allemaal veel eenvoudiger kunnen zeggen. Zoiets als:  “Jullie hoeven nergens over in te zitten, want eerst worden jullie opgenomen en daarna pas komen al die enge zaken als de antichrist en de verdrukking en dergelijke.” Dan was de kous af geweest. Maar hij zegt iets heel anders. Ten tweede, waarom spreekt hij niet over de heilige Geest, maar over de tegenhouder? Dat is vaag en mysterieus. En ook erg vreemd, want de heilige Geest wordt overal in het Nieuwe Testament gewoon klip en klaar aangeduid als de Geest, de Geest der waarheid, de heilige Geest enzovoort. De verklaring is eigenlijk simpel. Met de tegenhouder bedoelde Paulus niet de heilige Geest, maar de keizer en het Romeinse keizerrijk van zijn dagen. Hij wist dat daar een einde aan moest komen. Want in Daniel 2 wordt gesproken over de tien tenen van het beeld uit de droom van Nebukadnezar. Deze komen overeen met tien koningen (Openbaring 17:12). De wereldmacht van de eindtijd zal bestaan uit tien koningen of koninkrijken. Zij zullen op hun beurt de macht overdragen aan een alleenheerser. Dat zal de antichrist blijken te zijn, oftewel het Beest. Met andere woorden, voordat dit allemaal zijn beslag krijgt, zal de Romeinse keizer op de een of andere manier het veld moeten ruimen. Zolang dat nog niet was gebeurd, zou de manifestatie van de antichrist nog worden tegengehouden. En wat was de reden dat Paulus in dit verband de keizer niet direct noemt? Dat ligt voor de hand. Het was levensgevaarlijk om zoiets in een brief te schrijven. Daarom heeft hij het over de tegenhouder.

Kortom, de gemeente zal een bijzonder zware tijd tegemoet gaan, waarin het uiterste van haar trouw en toewijding zal worden gevraagd. Dit betekent overigens niet dat de gemeente de oordelen zal moeten meemaken die in Openbaring worden aangegeven met de bazuinen en de schalen. Want na het zesde zegel, als de zon zwart wordt, de maan bloedrood en de sterren van de hemel vallen,  dus nog voordat het zevende zegel wordt verbroken, zal het moment aanbreken dat de Heer komt op de wolken en dat Hij alle ware christenen meevoert naar het Vaderhuis (vergelijk Mattheus 24:29-31 en Openbaring 6:12,13; 7:9-17).

Een volgende keer meer argumenten, die deze uitleg ondersteunen.  


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

mevrmarkus-stoker
3 maanden geleden

heeft het boek besteld het is al maar waar wat de bijbel verteld , GODSzegen