eindtijdinzicht.nl © 2021

De Opname van de Gemeente

Vóór of na de grote verdrukking?

Pretrib of Prewrath?

Theo Algra

De Bijbel belooft dat wij bij de komst van de Heer in een ondeelbaar ogenblik veranderd zullen worden en dat de doden in Christus zullen opstaan. We zullen allemaal de Heer ontmoeten in de lucht en voor altijd bij Hem zijn. De grote vraag is, wanneer zal deze verbazingwekkende gebeurtenis plaatsvinden?

Onder Bijbelgetrouwe christenen bestaan verschillende interpretaties. Sommigen stellen dat de profetieën zoals weergegeven in Mattheüs 24 en het grootste deel van Openbaring, al zijn vervuld. Dit is de historische visie.

Andere visies gaan er van uit dat de voorspellingen uit Openbaring (en de corresponderende delen uit het OT) nog in vervulling moeten gaan. Een belangrijk onderscheid wordt daarbij gemaakt met betrekking tot de grote verdrukking. In Mattheüs 24 wordt voorspeld dat er in de eindtijd een verdrukking van de gelovigen zal plaatsvinden die zijn weerga niet kent. Ook in Openbaring 14 wordt daarover gesproken. Iedereen zal gedwongen worden het Beest te aanbidden en zijn teken te dragen, of anders volgt de doodstraf.

Sommigen stellen dat de opname van de gemeente zal plaatsvinden voor deze grote verdrukking. Wedergeboren christenen zullen deze moeilijke periode dus niet hoeven mee te maken. Dit wordt wel de pre-tribulationistische visie genoemd (“Pretrib”). Anderen zijn van mening dat de opname niet eerder plaatsvindt dan nadat: a) de grote verdrukking er geweest is en b) alle oordelen uit Openbaring hebben plaatsgevonden (voorgesteld door de bazuinen en de schalen). De opname valt in dat geval samen met het tafereel van Openbaring 19 waar we de Heer zien als triomfator. Dit noemt men het post-tribulationisme (“Posttrib”). Minder bekend is het mid-tribulationisme, dat de opname halverwege de laatste zeven jaar van de eindtijdperiode plaatst.

Maar welke opvatting is de juiste? Of geen van alle? Of is er nog een betere visie? Een andere vraag die sommigen terecht stellen is: waarom is dit alles zo belangrijk? Moeten we ons daar druk over maken? Deze laatste vraag willen we eerst proberen te beantwoorden. Vervolgens komt de vraag aan bod wanneer de opname zal plaatsvinden in relatie tot de andere eindtijd gebeurtenissen.

1 Waarom is de Bijbelse toekomst belangrijk?

Allereerst omdat de Heer zelf het belangrijk vindt. Hij zei tegen de discipelen dat Hij hen nog veel had te zeggen, maar dat ze dat op dat moment nog niet konden dragen. Maar, zei Hij, later zal de Geest der waarheid u alles te binnen brengen wat Ik u geleerd heb. En ook: de toekomst zal Hij u verkondigen. Dit laatste is dan ook gebeurd, met name door middel van het boek Openbaring. Met andere woorden, één van de taken van de Heilige Geest is het verkondigen van de toekomst.

Ook Openbaring 1:1 maakt dit duidelijk. De Openbaring is door de Heer zelf gegeven om ons te laten zien wat er spoedig gaat gebeuren. Als Hij ons dat wil vertellen, dan moeten we ons er wel met interesse in verdiepen. Dan is het dus belangrijk voor ons. En dan is het verkeerd om te stellen dat bestudering van wat de Bijbel over de toekomst zegt niet van belang is.

Openbaring 1:3 zegt zelfs: “Gelukkig is wie dit voorleest, en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich houden aan wat hier gezegd wordt. Want de tijd is nabij”. Als we luisteren naar wat de Heer in Openbaring tot ons zegt, hebben we deze bijzondere belofte. Vooral met het oog op de eindtijd.

Als je de eerste hoofdstukken van Openbaring leest, dan treffen vooral de aansporingen en de bemoedigingen om vol te houden en niet te verslappen, speciaal bij vervolging.

Er is nog een reden waarom het belangrijk is. We willen aantonen dat de opname plaatsvindt na de grote verdrukking, en niet, zoals velen denken, er voor. Als je denkt dat je die verdrukking nooit mee zult maken, dan zul je er op het moment dat het gebeurt door worden overvallen. Misschien ben je er dan nog niet klaar voor en ga je geestelijk voor de bijl. Of je zult niet alert zijn op de verleidingen van de antichrist, want die verwacht je immers nog niet! Terwijl de Heer ons de toekomst nu juist uit de doeken doet om ons voor te bereiden op die moeilijke tijd (Openbaring 1:3).

2 Geen opname voor de grote verdrukking

In Bijbelgedeelten zoals Johannes 14:1-3, 1 Korinte 15:51,52 en Tessalonicenzen 4:13-18 gaat het over de belofte van de terugkeer van de Heer, maar met als bijzonderheid dat de gelovigen op dat datzelfde moment door Hem in het Vaderhuis worden opgenomen. Deze gebeurtenis staat onder christenen bekend als de “opname”.

In de eindtijd zal er een immense vervolging plaatsvinden van Gods kinderen. Daarover kan men lezen in onder andere Mattheüs 24:21,22 en Openbaring 13:16,17.

Van John Nelson Darby (1800-1882) is de theorie afkomstig dat de opname zal plaatsvinden voordat deze grote verdrukking begint. Deze opvatting werd onder gelovigen verbreid vanaf het midden van de 19e eeuw. De leer van Darby houdt tevens in dat de Heer pas zeven jaar later, dat wil zeggen na de grote verdrukking en de oordelen, zichtbaar terug zal keren voor het oog van de gehele wereld om zijn koninkrijk te vestigen. De tekst “Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien” (Openbaring 1:7) wordt op die latere zichtbare komst toegepast. Daarentegen wordt verondersteld dat bij de opname de Heer alleen maar te zien zal zijn voor wedergeboren gelovigen. Het enige wat de wereld ervan merkt is de plotselinge mysterieuze verdwijning van alle christenen. Deze opname kan overigens ieder moment plaatsvinden, want er zijn geen profetieën meer, zo stelt men, die voor die tijd nog vervuld moeten worden.

Het aantrekkelijke van deze opvatting is dat de gelovige de grote verdrukking niet hoeft mee te maken. Vandaag de dag zijn er velen in de evangelische wereld die deze toekomstvisie aanhangen, mede door de populariteit van de boeken van Hal Lindsey en recent ook Tim LaHaye.

Deze opvatting wordt meestal geleerd als onderdeel van een bredere theologie, de zogenaamde bedelingenleer. Darby geloofde dat de geschiedenis is onder te verdelen in zeven strikt onderscheiden perioden (bedelingen). Op zich is een dergelijke indeling niet verkeerd. Alleen men gaat er vanuit dat God zich in iedere bedeling op een fundamenteel andere wijze met de mensheid bemoeit. De Bijbel spreekt echter slechts over twee bedelingen: de oude en de nieuwe (Gal. 4:2). De traditionele bedelingenleer, indien consequent toegepast, heeft nogal wat gevolgen voor de Bijbeluitleg.

We kunnen de volgende redenen aanvoeren waarom er geen Bijbelse grond bestaat voor een opname vóór de grote verdrukking.

2.1 In Openbaring wordt niet gesproken over een opname vóór de grote verdrukking

In Openbaring, bij uitstek het Bijbelboek over de toekomst, wordt nergens gesproken over een opname voordat de grote verdrukking begint (wel daarna, zie verderop). Er wordt soms uitgelegd dat Openbaring 4:1 de opname voorstelt. Maar dit vers is slechts gericht aan Johannes, om, in de geest, een blik te slaan in de hemel. De tekst heeft niets met de komst van de Heer te maken. Ook stelt men dat de oudsten in Openbaring 4 en 5 de dan reeds opgenomen Gemeente voorstellen. Hiervoor is eveneens geen uitlegkundige reden te bedenken. Hoewel niet verder wordt uitgelegd wie die 24 oudsten zijn, is het duidelijk dat ze geen verloste gelovigen zijn. Want ze spreken over de verlosten in de derde persoon (Openbaring 5:10)! Als ze verheerlijkte gelovigen waren hadden ze wel gedankt dat zij zelf waren verlost. Ze zitten op tronen, zoals weliswaar ook aan de gelovigen is beloofd. Maar die laatste belofte zal pas later, in het duizendjarig rijk werkelijkheid worden. Ook is het merkwaardig dat je in dezelfde passage sommige getallen letterlijk zou moeten nemen (vier dieren en honderden miljoenen engelen) en tegelijkertijd een ander getal symbolisch (24 als symbool voor een groot aantal gelovigen). De oudsten stellen daarom geen opgenomen gelovigen voor. Het zijn hoge engelvorsten die samen met God, maar wel onder zijn gezag, de hele schepping regeren. Zie ook Ps. 89:10: “ God is zeer ontzagwekkend in de raad der heiligen, geducht boven allen die rondom Hem zijn.”

Het tafereel van Openbaring 4 en 5 stelt ons voor wie Degene is de macht heeft over alle dingen en van waaruit de gebeurtenissen op aarde worden bestuurd.

2.2 De Heer Jezus spreekt niet over een opname voor de grote verdrukking

Als de Heer de discipelen onderwijst over de toekomstige gebeurtenissen, dan spreekt hij wel over een bijeen verzamelen van gelovigen, dus een opname (Mattheüs 24:31), maar deze vindt plaats na de grote verdrukking (Mattheüs 24:21) en niet er voor. Met andere woorden de Heer zwijgt volkomen over een opname die voor de grote verdrukking zou moeten plaatsvinden. Dit is op zijn minst heel merkwaardig, als het juist zou zijn. Waarom zou de Heer zoiets belangrijks niet vertellen? Temeer daar ook de daarna volgende gelijkenissen juist gaan over het verwachten van de komst van de Heer.

Hierop wordt door de aanhangers van de traditionele bedelingenleer een verlegenheids-redenatie toegepast. Namelijk dat de Heer bij de toespraak op de Olijfberg niet doelde op de gelovigen uit de Gemeente, maar uitsluitend op gelovigen uit een volgende bedeling. Een argument dat daarbij gebruikt wordt is het noemen van de sabbat in vers 20. Dat zou er op wijzen dat het over een toekomstige joodse bedeling gaat. Maar iedereen die weet heeft van de huidige situatie in Israël, inclusief de Messiaanse Joden die de sabbat houden, zal begrijpen dat dit geen argument kan zijn. Bovendien sprak de Heer tot discipelen die zelf binnen een paar weken de Gemeente zouden gaan vormen. Trouwens Hij sprak al eerder over de Gemeente in Mattheüs 18. Het is nogal willekeurig om het ene Bijbelgedeelte toe te passen op de Gemeente en te stellen dat een volgend gedeelte niets met de Gemeente heeft te maken, maar met een veronderstelde bedeling er na.

Men werpt ook tegen dat de opname een geheimenis was, dat pas aan Paulus zou zijn geopenbaard (1 Korinte 15:51). Maar het geheimenis waarvan in dat verband sprake is, is niet de opname zelf (Mattheüs 24:31, zie verderop), maar het feit dat we bij die opname in een oogwenk veranderd zullen worden om een verheerlijkt opstandingslichaam krijgen (net zoals de doden in Christus, die dan ook zullen opstaan).

2.3 De openbaring van Jezus Christus

Petrus schrijft in 1 Petrus 1:13: “Omgordt daarom de lendenen van uw verstand, weest nuchter en hoopt volkomen op de genade die u gebracht wordt bij [de] openbaring van Jezus Christus.”

Het woord openbaring is in het Grieks apocalypsis. Dit woord wordt diverse keren gebruikt voor de tweede komst van de Heer. Bijvoorbeeld door Paulus in 2 Tessalonicenzen 1:7 “en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van zijn kracht, in vlammend vuur, als Hij wraak brengt over hen die God niet kennen en over hen die het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen ..”

Hier is dus niet sprake van een geheime komst voor de grote verdrukking, maar van een komst met kracht en heerlijkheid na verdrukking, waarbij “elk oog Hem zal zien”.

Petrus stelt dat ons de genade wordt gebracht “door de openbaring van Jezus Christus”. Niet eerder! En Paulus zegt dat diezelfde openbaring ons verkwikking zal brengen (na verdrukking). Niet eerder!

Uit beide gevallen blijkt dus dat de openbaring van Jezus Christus de hoop is van de gelovigen.

Vergelijk ook 1 Johannes 2:28 : "En nu, kinderen, blijft in Hem, opdat wij, als Hij geopenbaard wordt, vrijmoedigheid hebben en niet beschaamd worden voor Hem bij zijn komst.” Hieruit blijkt dat de openbaring en de komst van de Heer Jezus ten nauwste verband met elkaar houden, ja, hetzelfde zijn.

2.4 De verschijning van de Heer

De komst van de Heer wordt in de Bijbel vaak aangeduid met het woord epifaneia = verschijning. Bijvoorbeeld in 2 Tessalonicenzen 2:8. Hiermee wordt een openlijke voor iedereen zichtbare komst aangegeven. Zoals in Openbaring 1:7: “elk oog zal hem zien”. Zie ook in Mattheüs 24:30.

Ook schrijft Paulus aan Timotheüs in 1 Tim. 6:14 “dat hij dit gebod onberispelijk en onbesmet moest bewaren tot op de verschijning van onze Heer Jezus Christus, die de gelukkige en enige heerser, de Koning der Koningen en Heer der heren op zijn eigen tijd zal vertonen” (Telos). Merk op dat het woordje “die” slaat op de verschijning. De NBG-vertaling heeft: “dat gij dit gebod onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot de verschijning van onze Heer Jezus Christus, welke te zijner tijd de zalige en enige Heerser zal doen aanschouwen, de Koning der Koningen en Heer der heren”.

Omdat Timotheüs het gebod moet bewaren tot op de “verschijning”, kan het niet anders of “verschijning” en “opname” slaan op dezelfde gebeurtenis.

In Titus 2:13 lezen we: “verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus” (NBG). De Telos vertaling heeft hier: “in de verwachting van de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus”.

Uit de Griekse grondtekst blijkt dat zowel het woordenpaar “hoop + verschijning” als het woordenpaar “God + Heiland” verbonden zijn met het voorzetsel kai, terwijl er voor het tweede woord geen lidwoord wordt gebruikt. Deze constructie houdt in dat de woorden op hetzelfde onderwerp betrekking hebben. Dus Heiland heeft betrekking op God. En verschijning heeft betrekking op de hoop. Daarom bewijst ook dit vers dat onze hoop en verwachting bestaat uit niets meer en niets minder dan de verschijning van onze Heiland. Dat is zijn komst in glorie en heerlijkheid. Dezelfde hoop als waar 1 Tessalonicenzen 4:13 over spreekt.

Vergelijk ook 1 Korinte 1:7: “zodat het u aan geen genadegave ontbreekt, terwijl u de openbaring van onze Heer Jezus Christus verwacht”. We zien uit naar de openbaring van Jezus Christus!

2.5 De tweede Tessalonicenzen-brief

Een duidelijke Bijbelpassage die een opname vóór de grote verdrukking uitsluit is 2 Tessalonicenzen 2. Uit 2 Tessalonicenzen 2:2 blijkt dat sommigen in de war geraakt waren door de bewering dat de dag van de Heer al aangebroken zou zijn of op handen was.

Paulus legt dan uit dat de Dag van de Heer op dat moment nog niet kan aanbreken, want er moet eerst iets anders plaatsvinden, namelijk de antichrist moet zich manifesteren (o.a. de ontheiliging van de tempel). Pas als dat gebeurd zou zijn, moesten ze rekening houden met een spoedig aanbreken van de Dag van de Heer.

Maar als de eerstvolgende gebeurtenis de opname zou zijn, dan had hij zich toch heel anders moeten uitdrukken? Dan had hij toch gewoon kunnen zeggen dat ze zich geen zorgen hoefden te maken, want de eerstvolgende gebeurtenis zou toch de opname in het Vaderhuis zijn? Maar integendeel, hij wijst hen juist op de manifestatie van de antichrist die ze als waarschuwing voor de eindtijd in de gaten moesten houden. Net zoals de Heer Jezus dat deed overigens (Mattheüs 24).

Paulus zegt wel dat er iets is wat de antichrist nu nog tegenhoudt. Zij die geloven in de opname vóór de grote verdrukking menen hierin een aanwijzing te hebben. Met “wat hem weerhoudt” zou de Gemeente bedoeld zijn en met “hij die weerhoudt” de Heilige Geest. Als deze veronderstelling juist zou zijn, dan is het in de eerste plaats heel vreemd dat Paulus niet gewoon openlijk spreekt over opname, Gemeente en de Heilige Geest, maar dat hij zich mysterieus en vaag uitdrukt. Dat doet hij elders nooit bij dergelijke onderwerpen. De antichrist wordt toch ook klip en klaar aangeduid? Nee, deze uitdrukkingen hebben een andere betekenis.

Een ander probleem met betrekking tot deze opvatting is de veronderstelde afwezigheid van de Heilige Geest op aarde na de opname. Immers de weerhouder die wordt weggenomen zou de Heilige Geest zijn. Maar dit is in tegenspraak met beloften als in Joël 2:28-32, waar het gaat om een machtige uitstorting van de Heilige Geest op het Joodse volk in de eindtijd. Met andere woorden de Heilige Geest zal na de opname nog steeds op aarde aanwezig moeten zijn.

Hoe moeten deze verzen dan worden verklaard? We moeten bedenken dat Paulus wat betreft de eindtijd uitgaat van wat de Heer Jezus heeft onderwezen en van wat hij wist uit het Oude Testament. Bijvoorbeeld de droom van Nebukadnezar uit Daniël 2 en de daarop volgende hoofdstukken. Daaruit blijkt dat de antichrist voortkomt uit tien koningen die worden voorgesteld door de voeten en de tien tenen van het beeld. Deze tien koningen vormen een federatieve wereldmacht. Zij zullen op een gegeven moment door het Beest worden aangevoerd. Dit laatste rijk zal door Christus, de steen die aan komt rollen, worden verbrijzeld. Met andere woorden, deze macht is de wereldmacht van de eindtijd.

De ijzeren benen van het beeld stellen het Romeinse keizerrijk voor uit Paulus’ dagen. Met andere woorden, de komst van het federatieve 10-koningen rijk zou niet eerder plaats kunnen vinden dan nadat God een einde zou maken aan de macht van de keizer en van het Romeinse keizerrijk. Pas als dat gebeurd zou zijn, kon de antichrist verschijnen. Dus de “hij die weerhoudt” is de Romeinse keizer. Het “dat wat weerhoudt” is het Romeinse keizerrijk. Daarmee is ook onmiddellijk verklaard waarom Paulus de keizer en het rijk als zodanig niet noemt. Want op schrift te stellen dat er een einde zou komen aan de macht van Rome was uiterst gevaarlijk, daarvoor zou hij gestraft kunnen worden. Hetzelfde zien we ook op andere plaatsen in de Bijbel, namelijk daar waar Rome wordt aangeduid met de codenaam Babylon (Openbaring 17-19, 1 Pet 5:13).

Als we dus 2 Tessalonicenzen 2 eenvoudig lezen zoals het er staat, dan is duidelijk dat niet de opname, maar de opkomst van de antichrist de eerstvolgende gebeurtenis is waar we rekening mee moeten houden.

2.6 1 Tessalonicenzen 5

In 1 Tessalonicenzen 4 heeft Paulus het over de relatie tussen de opstanding en de opname. De doden in Christus zullen eerst opstaan en daarna zullen de levenden samen met hen worden opgenomen in de lucht om de Heer te ontmoeten. In hoofdstuk 5 gaat Paulus verder met de vraag wannéér zij de opname ende opstanding kunnen verwachten.

1 Tessalonicenzen 5:1,2: “Maar wat de tijden en gelegenheden betreft, broeders, hebt u niet nodig dat u geschreven wordt. Want u weet zelf nauwkeurig dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht”.

Na zijn uitleg van de gebeurtenissen omtrent de opname gaat Paulus over op het onderwerp wanneer die opname zal plaatshebben. En dan zegt hij dat de Dag van de Heer komt als een dief in de nacht. Met andere woorden, hij gaat er van uit dat de opname onderdeel is van de Dag van de Heer.

Hoe wisten de Tessalonicenzen zo nauwkeurig dat de Dag van de Heer zou komen als een dief in de nacht? Dat was omdat ze bekend waren met wat de Heer Jezus hierover onderwezen had in zijn rede op de Olijfberg! Het idee van Christus komst als een dief in de nacht is afkomstig van de Heer zelf. Nadat Hij zijn komst in heerlijkheid had beschreven, zei de Heer tegen zijn discipelen (Mattheüs 24:42-44): “Waakt dan, want u weet niet op welke dag uw Heer komt. Weet echter dit, als de Heer des huizes had geweten in welke nachtwaak de dief kwam, hij zou hebben gewaakt en niet hebben toegelaten dat in zijn huis werd ingebroken. Daarom weest ook u gereed, want op een uur dat u het niet vermoedt, komt de Zoon des mensen”.

Kennelijk verwees Paulus naar het onderwijs dat de Heer gegeven had in de rede op de Olijfberg. De volgende tabel laat zien dat Paulus inderdaad het onderwijs van de Heer Jezus op de Olijfberg gebruikt bij zijn uitleg aan de Tessalonicenzen.

JezusPaulus
De komst van de Heer vanuit de hemelMattheüs 24:30
zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid
1 Tess 4:16
want de Heer zelf…zal neerdalen van de hemel
Engel(en)Mattheüs 24:31
Hij zal zijn engelen uitzenden
1 Tess 4:16
met [de] stem van een aartsengel
BazuingeschalMattheüs 24:31
met luid bazuingeschal
1 Tess 4:16
met [de] bazuin van God
Opname van de levendenMattheüs 24:31
en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen
1 Tess 4:17
samen met hen opgenomen worden in de wolken
Dief in de nachtMattheüs 24:43
Als de heer des huizes geweten had in welke nachtwaak de dief zou komen
1 Tess 5:1,2
als een
dief in de nacht
Waarschuwing tegen in slaap vallenMarkus 13:34
opdat Hij niet, als Hij plotseling komt, u slapende vinden
1 Tess 5:6
Laten wij dan niet, evenals de anderen, slapen
Waarschuwing tegen dronkenschapLukas 21:34
ziet toe, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap
1 Tess 5:6-8
Want zij die slapen, slapen ‘s nachts en zij die dronken zijn, zijn ‘s nachts dronken. Maar laten wij, die van de dag zijn, nuchter zijn
WaaktMarkus 13:35-37
Waakt dan ..Wat ik u zeg, zeg ik allen: Waakt!
1 Tess 5:6
maar laten wij waakzaam en nuchter zijn

Paulus onderwijst dus aan de Tessalonicenzen precies hetzelfde als wat de Heer aan de discipelen leerde op de Olijfberg. Hieruit volgt derhalve dat de opname niet plaatsvindt voor de grote verdrukking.

3 De argumenten vóór een opname voor de grote verdrukking getoetst

3.1 Openbaring 3:10

Openbaring 3:10 “Omdat gij het bevel bewaard hebt Mij te blijven verwachten, zal Ik ook u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, hen die op de aarde wonen” (NBG-vertaling). Deze tekst, een belofte aan de gemeente van Filadelfia, wordt vaak gebruikt als argument voor een opname vóór de grote verdrukking. Inderdaad moeten we “de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal” opvatten als de komende grote verdrukking. De uitdrukking “hen die op de aarde wonen” vinden we vaker in Openbaring. Bijvoorbeeld in Openbaring 13:14, waar staat: “En het verleidt hen die op de aarde wonen”. Zie ook Openbaring 13:8. Openbaring 13 beschrijft het gedrag van het beest en zijn pogingen om de mensen te verleiden om hem te aanbidden. De grote verdrukking zal een tijd van onmenselijke verleiding inhouden, waarin alleen God de kracht kan geven om stand te houden. De NBG-vertaling lijkt te zeggen dat de Filadelfiërs en allen die net als zij de Heer volhardend verwachten, die periode van verzoeking niet hoeven mee te maken. Nu is het opmerkelijk dat er ook andere vertalingen van dit vers bestaan. De Statenvertaling zegt: “zal Ik u bewaren uit de ure der verzoeking”. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat het Griekse voorzetsel ek meestal met “uit” vertaald moet worden. De tekst kan dus ook zo opgevat worden dat de Heer de belofte geeft dat Hij de gelovigen tijdens de grote verdrukking zal beschermen en hen er ongeschonden uit zal halen. Verderop zullen we zien dat dat inderdaad ook letterlijk zal gebeuren wanneer de Heer terugkomt op de wolken en alle christenen Hem tegemoet zullen gaan in de lucht. Op datzelfde moment worden ze verlost van de onmenselijke terreur van de antichrist en diens bewind. De uitdrukking “bewaren uit/voor” is in het Grieks terreo ek en komt verder alleen voor in Johannes 17:15 “Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze”. De bedoeling van wat de Heer dan zegt is niet dat de Vader er voor zou moeten zorgen dat de discipelen ver uit de buurt en de invloedssfeer van de duivel gehouden moesten worden, maar dat ze niet voor zijn verleidingen zouden bezwijken. Openbaring 3:10 kan op dezelfde wijze worden geïnterpreteerd. De belofte is dus niet dat de gelovigen de grote verdrukking niet mee zullen maken, maar dat ze daarin geestelijk bewaard zullen worden en er als overwinnaars uit tevoorschijn zullen komen. Deze uitleg sluit ook beter aan bij de analogie die in het vers ligt opgesloten. Zij hadden het bevel bewaard de Heer te blijven verwachten – in de moeilijke omstandigheden van dit leven. Analoog hieraan zou Hij op zijn beurt hen bewaren, in de nog veel moeilijker omstandigheden die zouden gaan komen.

3.2 Christus de blinkende morgenster

In Maleachi 4:2 wordt de Heer Jezus de “zon der gerechtigheid” genoemd. In Openbaring wordt Hij voorgesteld als de blinkende morgenster. De eerste tekst is primair bedoeld voor Israël en het beeld van de morgenster is vooral een bemoediging voor de Gemeente. Immers zoals de morgenster eerder opkomt dan de zon, zo komt de Heer ook eerst voor de Gemeente. Na de oordelen richt de Heer het vrederijk op waarin Israël een centrale plaats heeft.

Zie ook 2 Petrus 1:19: “En wij achten het profetische woord daarom des te vaster, en gij doet wel er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten”.

Met andere woorden de beelden van de morgenster en de zon der gerechtigheid mogen ons inziens inderdaad zo worden toegepast. Maar deze volgorde is op zichzelf geen argument voor of tegen de gedachte van een opname vóór de grote verdrukking.

3.3 De types van Henoch en Noach

Henoch wandelde met God en werd zonder te sterven in de hemel opgenomen. Noach was eveneens een rechtvaardige. Hij werd niet opgenomen, maar moest het oordeel meemaken, waarin hij trouwens beschermd werd. Men ziet dit als een beeld van de opname van de Gemeente (Henoch) en de redding van Israël (Noach). Allereerst moet worden opgemerkt dat het Nieuwe Testament nergens aangeeft dat Henoch een type van de Gemeente is. Alleen al op grond van dit feit is de bovenstaande vergelijking niet te gebruiken als argument voor een opname vóór de grote verdrukking.

Ten tweede verliep er een lange periode tussen de opname van Henoch en de zondvloed, namelijk 662 jaar. Dit is veel langer dan de periode van waarschuwing en prediking door Noach die aan de zondvloed voorafging. En het is ook heel wat meer dan de zeven jaar van de laatste jaarweek. Hierin gaat het beeld dus mank.

Ten derde wordt in het Nieuwe Testament de komst van de Heer alleen maar vergeleken met Noach. Ook daar waar het duidelijk de Gemeente betreft. Zie Lukas 17:22-24.

3.4 Het onverwachte karakter van de komst van de Heer

Uit verschillende teksten blijkt dat de komst van de Heer plotseling zal zijn, op een onverwacht moment. Net zo onverwacht als een inbraak in de nacht (Mattheüs 24:43; 1 Tessalonicenzen 5:2; Lukas 12:39,40; 2 Pet. 3:10). Hieruit wordt de gevolgtrekking gemaakt dat de opname niet na de grote verdrukking zou kunnen plaatsvinden, want dan zou de komst van de Heer niet onverwacht zijn. Inderdaad zit er een sterk element van verrassing in de komst van de Heer. De discipelen moeten daarom wakker blijven, zodat ze altijd klaar zullen zijn voor die gebeurtenis. Maar dit betekent nog niet dat er geen tekenen aan zullen voorafgaan. Tekenen die de discipelen juist moeten helpen om alert en waakzaam te blijven. De Heer Jezus zegt bijvoorbeeld: “Leert dan van de vijgenboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan dat de zomer voorbij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten dat het nabij is, voor de deur”. Met “dit alles” bedoelt de Heer onder andere de grote verdrukking. Wanneer de antichrist zich dus manifesteert, weten we dat de komst van de Heer niet lang meer kan duren. Maar het moment zelf zal onverwacht zijn.

3.5 De “oud-testamentische taal” van de gelovigen in Openbaring

Er wordt beargumenteerd dat de groep gelovigen in Openbaring 6:10 (zielen onder het altaar) geen gelovigen uit de bedeling van de gemeente kunnen zijn omdat zij bidden om wraak. Dit komt overeen met de taal die we ook in de psalmen terugvinden. Zoiets is niet in overeenstemming met de bedeling van de genade. Deze gelovigen zouden daarom dus geleefd moeten hebben in een bedeling na de Gemeente.

Men gaat dan voorbij aan het volgende. In de eindtijd zal op een gegeven moment het tijdperk van de genade voorbij zijn. De Dag des Heren is ook een dag van wraak. Met andere woorden, dan zal wraak een legitieme zaak zijn, voor zover het de wraak van de Heer betreft. De zielen in de hemel smeken dat die wraak mag komen, met andere woorden dat de Dag des Heren mag aanbreken. Want dan komt er een einde aan het verschrikkelijke lijden van hun broeders op aarde. Hun vervolgers zijn de aanhangers van het Beest. En die zijn al verloren vanwege de keuze die ze hebben gemaakt. Merk op dat hun gevoelens overeenstemmen met die van God. Immers het is zijn plan om uiteindelijk wraak te oefenen. Daaraan gaat een heel lange tijd van genade vooraf, maar de oordelen en de wraak daarna zijn dingen die naar zijn gedachten en zijn wijsheid zijn. Daarmee stemmen gelovigen in. Vergelijk ook 18:20.

3.6 Nog een argument op grond van de bedelingenleer

Het volgende argument is eveneens gebaseerd op de bedelingenleer. “De profetische 70 jaarweken uit Daniël 9 handelen over de toekomst van Israël en betreffen dus Gods bedeling(en) met betrekking tot dat volk. De tijdsperiode tussen de 69e en de 70e week is de tegenwoordige bedeling van de Gemeente. Elke bedeling wordt gekenmerkt doordat God zich daarin op een specifieke, voor die bedeling karakteristieke wijze met de mens bemoeit. Derhalve kunnen bedelingen elkaar niet overlappen. De bedeling van de Gemeente moet dus zijn afgelopen zodra de 70e jaarweek begint. Aangezien de grote verdrukking tijdens de 70e jaarweek plaatsvindt, wordt de Gemeente dus voor de grote verdrukking opgenomen.”

Inderdaad zal de bekering van geheel Israël plaatsvinden na de opname van de Gemeente. Echter de fout in de redenatie is dat terwijl Israëls bekering aan het eind van de zevenjarige periode zijn beslag zal krijgen, dat de opname zou moeten plaatsvinden aan het begin van de 70e jaarweek. De Bijbel geeft daar echter geen aanwijzingen voor. Waarom zou de opname niet ruim na het begin van de laatste zeven jaar kunnen plaatsvinden? Waarom kan God al niet bepaalde wegen gaan met zijn volk om hen voor te bereiden op hun geestelijke ommekeer, terwijl de Gemeente ook (nog) op aarde is? Vergelijk bijvoorbeeld Ezechiël 37:8 met Ezechiël 37:10.

Men maakt de uitleg dus ondergeschikt aan een bepaald aspect van de bedelingenleer, dat als zodanig niet door de Bijbel wordt ondersteund.

4 Wanneer vindt de opname dan wel plaats?

4.1 De tijdschema’s van Daniël 9, Mattheüs 24 en van Openbaring

De grote lijn van de tijdsvolgorde van de toekomstige gebeurtenissen volgt uit Daniël 9, Mattheüs 24 en uit het boek Openbaring. We zien hier af van details en noemen alleen de belangrijkste gebeurtenissen.

De gebeurtenissen van de eindtijd zullen een periode van zeven jaar beslaan, zoals voorspeld in Daniël 9. Uit dit en de volgende hoofdstukken volgt dat deze “jaarweek” zal beginnen met het sluiten van een vredesverbond tussen het vernieuwde Romeinse rijk en Israël. Na 3½ jaar zal de leider van dat rijk dat verbond schenden, Jeruzalem bezetten, en de tempel ontheiligen door zichzelf daarin als god te laten eren.

In Mattheüs 24, in de rede op de Olijfberg, legt de Heer Jezus uit dat de leider van het herstelde Romeinse rijk een grote verdrukking zal veroorzaken. Deze tijd van immense vervolging zal “verkort” worden en eindigen met een ontzagwekkend natuurverschijnsel (de zon wordt donker, de maan wordt rood, een meteorietenregen, en een aardbeving) en de daaropvolgende komst van de Heer op de wolken.

Tijdschema met vredesregeling in het Midden Oosten, ontheiliging van de tempel en grote verdrukking

De eindtijdgebeurtenissen in Openbaring worden symbolisch aangeduid door middel van opeenvolgende reeksen van zeven zegels, zeven bazuinen en zeven schalen.

In Openbaring 5:1 is er sprake van een verzegelde boekrol, die alleen geopend mag worden door de Heer Jezus. Vervolgens worden de zegels één voor één verbroken. Als het zevende zegel verbroken is, wordt duidelijk wat de inhoud van de boekrol is, namelijk een serie gigantische oordelen die God over de wereld zal laten gaan. Zijn lankmoedigheid heeft lang geduurd. Maar als de boekrol is geopend dan zal God een einde maken aan alle kwaad en alle opstand tegen Hem. Die oordelen worden aangegeven door zeven bazuinen, gevolgd door zeven schalen. Hoewel de bazuinen gepaard gaan met zeer grote rampen, zijn de schalen nog veel erger. De bazuinen hebben kennelijk toch nog enigszins een aankondigend en waarschuwend karakter. Belangrijk is het om op te merken dat de zegels, de bazuinen, en de schalen gebeurtenissen voorstellen die sequentieel plaatsvinden, dat wil zeggen na elkaar. Dit blijkt als men teksten zoals Openbaring 8:1,2; 11:15; 15:1 zorgvuldig leest.

In Openbaring 11:3 is er weer sprake van een periode van 3½ jaar, namelijk de tijd dat er twee getuigen zullen optreden in Jeruzalem. Uit vers 2 blijkt dat de heidenen de stad gedurende diezelfde 3½ jaar zullen bezetten. De beëindiging van het getuigenis van de twee getuigen valt samen met de zevende bazuin (11:15). De bazuinperiode begint met het verbreken van het zevende zegel. Het zesde zegel betreft het kosmische teken aan de zon, de maan en de sterren, dat op elk mens een onuitwisbare indruk zal maken. Zelfs zo dat de mensen zullen beseffen dat op dat moment de Dag des Heren is aangebroken (6:17). Dit betekent dat op datzelfde tijdstip de grote verdrukking is afgelopen (Mattheüs 24:29).

Hieruit volgt een belangrijke conclusie: de grote verdrukking valt niet samen met de bazuin-oordelen en dus ook niet met de rampen die door de schalen worden voorgesteld. De grote verdrukking is met het verbreken van het zesde zegel beëindigd.

Bij het vijfde zegel komen christelijke martelaren in beeld, die voor hun geloof gestorven zijn. Tegen hen wordt gezegd dat ze nog even geduld moeten oefenen, totdat het getal van de christenen die gedood zouden worden voltallig zal zijn Dit wijst er op dat de grote verdrukking op dat moment nog gaande is.

Ook de eerste vier zegels leiden gebeurtenissen in die opvallende parallellen laten zien met de rede op de Olijfberg (Mattheüs 24 en Lukas 21). Zie de volgende tabel.

ZegelOpenbaringMattheüs/Lukas
1eWit paard, boog, overwinnendValse messiasfiguren (24:5)
2eRossig paard, groot zwaard, vrede wegOorlogen en geruchten van oorlogen (24:6,7)
3eZwart paard, weegschaal, hongersnoodHongersnoden en aardbevingen (24:7)
4eVaal paard, dodenrijk, vierde deel van de aarde treft zwaard, honger, pest, wilde dierenOorlog, aardbevingen, pestziekten, hongersnoden (Lukas 21:10,11)
5eVerdrukkingGrote verdrukking (24:21)
6eTeken van zon, maan en sterrenTeken van zon, maan en sterren (24:29)
Schema van de zeven zegels en aansluitende bazuinen, met vredesregeling in Midden Oosten, ontheiliging van tempel en grote verdrukking

4. 2 De hoofdstukken 12 tot en met 14

De in chronologische volgorde beschreven reeksen van bazuinen en schalen wordt onderbroken door de hoofdstukken 12 tot en met 14. Hierin is sprake van een tweede, kleinere boekrol, en wordt er gezegd dat Johannes opnieuw moet profeteren. Openbaring 12 gaat inderdaad terug in de tijd en begint met de geboorte en de hemelvaart van de Heer Jezus. In feite behandelen deze hoofdstukken de diepere achtergrond van dat wat er op aarde aan de hand is, de werkelijke strijd achter de schermen. Satan wordt uit de hemel geworpen en gaat dan rond met grote grimmigheid. Het gevolg hiervan is de opkomst van de antichrist en de grote vervolging. De grote verdrukking komt dus rechtstreeks uit de koker van Satan, die in een ultieme poging zal proberen het volk van God te vernietigen.

Het tussenstuk van Openbaring 12-14 eindigt met de beschrijving van de Heer Jezus die komt op de wolken en van de dubbele oogst. Enerzijds de graanoogst, dat is de opname van alle gelovigen en anderzijds de druivenoogst die symbool staat voor de oordelen over Gods tegenstanders. Met andere woorden Openbaring 12-14 behandelt de hele heilsgeschiedenis in een notendop, van de eerste komst van de Heer tot aan zijn wederkomst. Dit gedeelte nu is precies gerangschikt in het midden van het boek, zodat het alle nadruk zou krijgen.

Na Openbaring 14 wordt de oorspronkelijke chronologische volgorde weer opgepakt met de beschrijving van de zeven schalen.

Als men de literaire structuur van Openbaring bestudeert, komt men eveneens tot de conclusie dat de hoofdstukken 12 tot en met 14 een afzonderlijk onderdeel vormen (Appendix I).

4.3 Het tijdstip van de opname

Uit Mattheüs 24:30 volgt dat de opname zal plaatsvinden (meteen) na het teken van zon, maan en sterren. Dit teken kondigt de dag des Heren aan en werd verschillende malen door de profeten in het OT voorspeld (Jes. 13:10; Ezechiël 32:7; Joel 2:10,31, 3:15). De Dag des Heren is een tijdsperiode waarin God zijn toorn over de aarde en zijn bewoners zal laten gaan. Dit wordt voorgesteld door de zeven bazuinen en de zeven schalen. De Gemeente zal weliswaar de grote verdrukking meemaken, in overeenstemming met diverse teksten die aangeven dat verdrukking voor een christen een “normale” zaak is (Johannes 15:18 -27, 16:1-4). Deze verdrukking is een gevolg van de grimmigheid van Satan (Openbaring 12:12). Maar de Gemeente is niet bestemd tot de toorn van God zoals we lezen in 1 Tessalonicenzen 5: 9. Daarom geloven we dat de Heer zal komen op de wolken om de Gemeente te halen na het zesde zegel, dus na het teken van zon, maan, en sterren, en wel vóór de periode van de bazuinen.

Hiervoor kunnen de volgende argumenten worden aangevoerd:

A) De grote menigte in hemel (Openbaring 7:9-17)

In Openbaring 7:9-17 is er plotseling sprake van een zeer groot aantal gelovigen in de hemel, voor de troon. Ze waren er nog niet eerder, want ze zijn gekomen uit de grote verdrukking. Dit laatste komt overeen met onze conclusie dat de grote verdrukking is afgelopen met het verbreken van het zesde zegel. Terwijl bij het vijfde zegel nog gesproken werd over een op dat moment nog steeds doorgaande vervolging. De beschreven menigte bestaat uit gelovigen, want ze hebben hun lange kleren gewassen in het bloed van het Lam. Dat wil zeggen ze hebben de Heer Jezus aangenomen als hun verlosser. Verder kan opgemerkt worden dat de tekst niet impliceert dat al deze mensen voor hun geloof gestorven zijn, maar wel dat zij de grote verdrukking hebben doorstaan. Ook is er een opvallend verschil met de gelovigen in de hemel ten tijde van het vijfde zegel. In tegenstelling met de grote menigte, worden zij als zielen bestempeld, die zich onder het altaar bevinden. Zij moeten daar “rusten” totdat de grote verdrukking voorbij is. Het einde van hun rustperiode is kennelijk het verschijnen van de grote menigte voor de troon! En dan is er geen sprake meer van rustende zielen, maar van mensen die God dienen in zijn tempel (Openbaring 7:15). Een duidelijk verschil. Zie de volgende tabel.

Vijfde zegelZesde zegel
ZielenGeen zielen, maar verheerlijkte gelovigen
RustendDienend in tempel
Onder het altaarVoor de troon
SmekendJuichend, palmtakken

Het contrast tussen deze twee beschrijvingen geeft aan dat de Bijbel hiermee het verschil lijkt te willen benadrukken tussen gelovigen die sterven en naar de hemel gaan in de tegenwoordige tijd en zij die straks als verheerlijkte gelovigen in het Vaderhuis zullen zijn.

In 1 Johannes 3:2 wordt beloofd dat als Hij geopenbaard zal zijn we Hem gelijk zullen zijn, want we zullen Hem zien zoals Hij is. De gelovigen staan voor de troon (in tegenstelling tot de zielen), ze zien dus de Heer Jezus. Passen we hierop 1 Johannes 3:2 toe dan moeten we concluderen dat ze inderdaad verheerlijkte lichamen hebben, die ze hebben gekregen bij de opname. Er is daarom ook niet meer sprake van slechts zielen. Als wij nu sterven dan vergaat ons lichaam tot stof, maar gaat onze ziel naar Christus (paradijs). Straks, bij de opname krijgen we weer een lichaam, maar dan een lichaam zoals de Heer Jezus had na zijn opstanding.

De mensen hebben palmtakken in hun handen, die een teken zijn van overwinning. Merk op dat dit gedeelte niet opgevat kan worden als een anticipatie. Want de 144.000 van Openbaring 7:1-8 moeten verzegeld worden aan hun voorhoofd voordat de bazuinoordelen mogen plaatsvinden. Hiermee zijn de taferelen van Openbaring 7 dus duidelijk chronologisch vastgelegd tussen het zesde en zevende zegel.

De Heer Jezus belooft in Johannes 14 om de gelovigen bij zijn terugkomst tot zich te nemen in het huis van de Vader. Uit de context blijkt dat dit een plaats in de hemel is. Maar de uitdrukking “huis van de Vader” komt in de Bijbel verder slechts éénmaal voor, namelijk in Johannes 2:16, waar het op de tempel in Jeruzalem slaat. Met andere woorden als we in Openbaring 7: 15 lezen dat de grote menigte God dient in zijn tempel, dan is dat een parallel met het huis van de Vader in Johannes 14:2.

B) Alleen de 144000 worden beschermd

De groep van de 144.000 in Openbaring 7:1-8 zijn overduidelijk Joden vanwege het contrast met de grote menigte uit alle volken in het tweede deel van het hoofdstuk. Waarschijnlijk is 144.000 een symbolisch getal. Maar wel geeft het aan dat het aantal beperkter is dan dat van de grote menigte. Aan deze groep wordt Goddelijke bescherming verleend, zodat de komende oordelen hen niet zullen treffen. Het opvallende is dat alleen zij bescherming ontvangen. Blijkbaar is dat voor andere gelovigen niet (meer) nodig.

C) Na Openbaring 7 wordt de grote menigte herhaaldelijk genoemd (6 x)

Vanaf Openbaring 7 lezen we op zeven plaatsen in Openbaring iets over de grote menigte in de hemel of in ieder geval bij de Heer:

  • 7:9 De grote menigte voor de troon
  • 14:2 Stem als van vele wateren, donderslagen, voor de troon, harpspelers (in tegenstelling tot de 144.000 die op de berg Sion staan)
  • 15:2 Overwinnaars op de glazen zee zingend met harpen (de glazen zee bevindt zich ook voor de troon 4:6)
  • 19:1 Luide stem van een grote menigte in de hemel
  • 19:6 Stem van een grote menigte en van vele wateren en donderslagen
  • 19:14 De legers die in de hemel zijn en het Lam volgen (zie 17:14)
  • 21:9 Het nieuwe Jeruzalem, de Bruid van Christus

In al deze zeven gevallen gaat het om een grote menigte gelovigen die als juichende en zingende overwinnaars geschilderd worden. Het gaat bovendien steeds om dezelfde groep. Er is geen reden om te veronderstellen dat er meerdere groepen in het spel zijn. Deze gegevens pleiten er voor dat de opname ten tijde van het zesde zegel plaatsvindt. Niet eerder, maar ook niet later.

D) De grote verdrukking wordt beëindigd

Het zesde zegel markeert het einde van de grote verdrukking. De macht van het Beest is op dat moment echter nog niet verminderd. Want deze gaat door tot het einde van de laatste jaarweek, zie bijv. Openbaring 13:5.

Over de grote verdrukking zegt de Heer Jezus dat die dagen zullen worden verkort, want anders zouden alle uitverkorenen gedood worden (Mattheüs 24:22). De periode van de grote verdrukking wordt dus verkort, en is dus afgelopen met de verbreking van het zesde zegel. Maar het beest houdt nog wel gewoon zijn macht, minstens tot het moment van de zevende bazuin.

Omdat (lang) niet alle gelovigen in die verdrukking zullen worden gedood, kan dit alleen maar betekenen dat de verdrukking beëindigd wordt door het verdwijnen van de gelovigen, oftewel de opname.

E) In overeenstemming met Mattheüs 24

De opname bij het verbreken van het zesde zegel komt nauwkeurig overeen met het onderwijs van de Heer in Mattheüs 24.

F) De dag van de Heer begint met de opname en niet met oordeel (Op14)

Sommige uitleggers plaatsen de opname bij Openbaring 19. Dit zou betekenen dat de Gemeente alle bazuin- en schaal-oordelen zou moeten meemaken.

Maar uit Mattheüs 24:36-41, waarin ook een vergelijking wordt gemaakt met de zondvloed, blijkt dat de opname juist vooraf gaat aan de oordelen. Dit komt overeen met het beeld van de dubbele oogst in Openbaring 14:14-18.

Men stelt dat we bij de opname de Heer een eindje tegemoet gaan in de lucht en Hem vervolgens escorteren naar de aarde, waar Hij de antichrist en zijn trawanten verslaat en zijn koninkrijk opricht. In die optie vindt de bruiloft van het Lam op aarde plaats. Maar uit Johannes 14:2 blijkt duidelijk dat de Heer ons tot Zich neemt in de hemel. Het huis van de Vader wordt onze woonplaats. Hoewel we vanuit die plaats wel in het koninkrijk op aarde zullen meeregeren.

G) Niet bij 7e bazuin, dan niet onverwacht

Sommige Bijbelleraars stellen dat de opname plaatsvindt na de zevende bazuin en zien de plaatsing van het visioen van Openbaring 14:14 na de zevende bazuin als het bewijs daarvoor. Als dit waar zou zijn, dan zouden de christenen het tijdstip van de opname tijdens de laatste zeven jaar precies van te voren weten, en wel op de dag nauwkeurig. Dit komt niet overeen met het onverwachte karakter van Zijn komst (Mattheüs 24:42-44).

4.4 Waarom wordt de opname niet met name genoemd in Openbaring 7?

Een logische vraag is waarom de beschrijving van de wederkomst en de opname van de gelovigen in Openbaring 6 en 7 kennelijk wordt overgeslagen. Pas later, in Openbaring 14 wordt vermeld dat de Zoon des Mensen komt op de wolken en zelf de oogst binnenhaalt.

Onmiskenbaar is dat de wederkomst op de wolken het hoogtepunt van het boek vormt. Het moment waar alle echte gelovigen reikhalzend naar uitzien, om voor altijd bij Hem te zijn in het huis van de Vader. Het moment ook dat voor het overblijfsel van Israël zal inhouden dat zij met verwondering in Yeshua hun messias zullen herkennen en tot berouw en bekering komen (Openbaring 1:7).

Maar in Openbaring 6 wordt deze gebeurtenis nog weggelaten. Het is alsof de schrijver dit hoogtepunt, deze climax, nog even wil bewaren. Hij gaat al wel vast de gevolgen beschrijven. De 144.000 bekeerde joden op aarde en de grote menigte uit alle volken in de hemel. En ook beschrijft hij al de eerste helft van de oordelen.

Om dan vervolgens via een recapitulatie die terug gaat vanaf de oude bedeling, opnieuw vanuit een ander perspectief, de hele heilsgeschiedenis te vertellen met als climax de wederkomst. En dit gedeelte, dat ook de werkelijkheid achter de schermen uit de doeken doet, staat daardoor precies in het midden van het hele boek. Zie ook de Appendix over de structuur van Openbaring.

Door de komst van de Heer op de wolken in eerste instantie weg te laten, wordt op deze wijze bereikt dat die komst de maximale focus krijgt, de ereplaats in het boek.

Terzijde merken we hierbij op dat er nog drie andere, erg belangrijke gebeurtenissen zijn die in de eindtijd plaats zullen vinden, maar die in Openbaring zelf als zodanig helemaal niet worden beschreven. Ten eerste de bekering van het overblijfsel van Israël en de uitstorting van de Heilige Geest op hen. We lezen wel over een gevolg, namelijk de beschermende verzegeling van de 144.000, maar verder niets over de bekering en de massale opwekking onder het volk. Hoewel daar al in Openbaring 1:7 naar wordt gerefereerd. Ten tweede de ontheiliging van de tempel door de antichrist zoals voorspeld door Daniël en door de Heer Jezus zelf. Ten derde het oordeel van de schapen en de bokken dat zal plaatsvinden na de uitoefening van de bazuin- en de schaal- oordelen, bij het begin van het duizendjarig rijk (Mattheüs25:31-46). Opvallend is dat de gebeurtenissen die in Openbaring worden weggelaten al wel eerder, en redelijk uitgebreid, in verschillende andere Bijbelboeken worden genoemd.

4.5 Hoe zit het met de laatste bazuin?

Als de Heer terugkomt en alle christenen worden opgenomen, de Heer tegemoet in de lucht, dan zal dat zijn bij het geluid van de “laatste bazuin”, zoals Paulus dat zegt in 1 Korinte 15:52. Is dit de laatste bazuin van de reeks van zeven bazuinen uit Openbaring? Betekent dit dat de opname zal plaatsvinden nadat er zes bazuinen geklonken hebben die stuk voor stuk gepaard zullen gaan met gigantische, wereldwijde rampen? Houdt dit in dat christenen die oordelen van God zullen moeten meemaken? Houdt het dan ook in dat de opname plaats vindt aan het einde van de zogenaamde 70e jaarweek? De profetische periode van zeven jaar die door Daniel is voorspeld (Daniël 9), die direct vooraf gaat aan het moment dat de Heer Jezus het koninkrijk opricht en het duizendjarig vrederijk begint? Dat zou dan betekenen dat het tijdstip van de opname precies te voorspellen zou zijn, zodra duidelijk is wanneer de laatste jaarweek is begonnen. Maar de Heer heeft gezegd dat zijn komst onverwacht zal zijn wat het tijdstip betreft. Hoe zit dat dan? Is de laatste bazuin van 1 Korinte 15:52 wel identiek aan de zevende bazuin uit Openbaring?

De Bijbel maakt duidelijk dat wij “verlost zijn van de komende toorn” (1 Tessalonicenzen 1:10). Deze toorn is niet alleen het eeuwige oordeel, maar ook de toorn van God zoals voorspeld in het laatste Bijbelboek, welke in de eindtijd de aarde zal teisteren (zie ook Openbaring 6:17). Met andere woorden als we wedergeboren zijn, hoeven we de bazuinoordelen en de schaaloordelen uit Openbaring niet mee te maken. Om precies te zijn, de opname van alle echte gelovigen zal plaatsvinden op het tijdstip van het zesde zegel (Openbaring 6:12). Het teken van de komst van de Heer zal zijn dat de zon wordt verduisterd, de maan wordt als bloed, en de sterren van de hemel vallen. Direct daarna verschijnt de Heer Jezus op de wolken en vindt de opname plaats.

Een moment later staat de grote schare die niemand kan tellen voor de troon! (Mattheüs 24: 29-31; Openbaring 6:9). Wanneer het zesde zegel exact geopend wordt zegt de Bijbel niet. Alleen is wel af te leiden dat het zal zijn in de tweede helft van de laatste 7 jaar. Maar het exacte moment is niet te voorspellen…

Uit Mattheüs 24 en ook uit 1 Tessalonicenzen 4 volgt dat de opname plaats vindt onder luid bazuingeschal. Alleen 1 Korinte 15:52 voegt hieraan toe dat het de laatste bazuin zal zijn. Hoe is dit dan te rijmen met het feit dat er later nog zeven bazuinen zullen klinken?

Paulus kende de zeven bazuinoordelen niet

Allereerst moeten we ons realiseren dat het boek Openbaring later is geschreven dan de eerste Korintebrief. En dat het inderdaad een openbaring was, dat wil zeggen dat de Heer aan Johannes en daarmee aan de Gemeente dingen bekend maakte die zij nog niet wisten. Anders zou het geen openbaring geweest zijn (Openbaring 1:1). De Heer had al gezegd tegen de discipelen dat er nog veel dingen waren die Hij hun had te zeggen, maar dat ze dat toen niet konden dragen. Maar de Heilige Geest zou komen en hun in de hele waarheid leiden. Ook zou de Heilige Geest hun de toekomst verkondigen. Dat laatste is onder andere werkelijkheid geworden met het boek Openbaring. Met andere woorden we moeten er niet vanuit gaan dat Paulus op de hoogte was van de reeks van zeven bazuinen zoals die in Openbaring worden beschreven. Wat Paulus wel wist was dat wat de Heer in de evangelieën en in het Oude Testament had bekend gemaakt met betrekking tot de toekomst. En verder die geheimenissen die de Heer specifiek aan hem had geopenbaard. Namelijk in 1 Kor 15:51, dat wij in een ondeelbaar ogenblik veranderd zullen worden bij de opname en in 1 Tessalonicenzen 4 dat daarbij de ontslapen gelovigen ons zullen voorgaan. Maar het blijkt nergens uit dat hij al iets wist van de zeven bazuinoordelen.

De zeven feesten

Waar Paulus goed van op de hoogte was, dat waren de jaarlijkse Joodse feesten die God in het Oude Testament had ingesteld (Leviticus 23). Het Pascha en hiermee verbonden het feest van de ongezuurde broden, de eerstelingsgarve, het pinksterfeest, het feest van de bazuinen, grote verzoendag, en het loofhuttenfeest. De eerste drie van deze feesten hebben allemaal een vervulling gehad in het Nieuwe Testament. De Heer Jezus is op Pascha gestorven aan het kruis als het echte Paaslam (1 Korinte 5:7). De Heer is opgestaan op de dag van de eerstelingsgarve (de dag na de sabbat van het feest der ongezuurde broden) en Hij wordt de eersteling genoemd van hen die ontslapen zijn (1 Korinte 15:20). De Heilige Geest is uitgestort op het Pinksterfeest, dat is het oogstfeest. De Heilige Geest geeft immers de kracht en de leiding voor het uitvoeren van de grote oogst. Na deze eerste drie feesten volgen na enkele maanden nog een drietal feesten. Het feest van de bazuinen (op de eerste dag van de zevende maand), de grote verzoendag (op de tiende) en het loofhuttenfeest (op de vijftiende). Zoals de eerste feesten een profetische betekenis bleken te hebben, zo is dat ook met de laatste het geval. Bij de grote Verzoendag mogen we denken aan het feit dat in de eindtijd het hele volk Israël (wat er dan van over is) tot geloof in Christus komt en er een geweldige en massale uitstorting van de Heilige Geest op hen zal plaatsvinden. Ze zullen op Hem zien die ze doorstoken hebben en rouwklagen. En er zal dan verzoening zijn voor het hele volk. Vervolgens breekt het duizendjarig vrederijk aan waarvan het loofhuttenfeest een beeld is. Het loofhuttenfeest kijkt terug op de bevrijding uit Egypte, en doet herinneren aan de tenten in de woestijn (Hosea 12:10). Straks zal er opnieuw bevrijding plaatsvinden, namelijk van de grote slavendrijver satan en zullen de Israëlieten in vrede wonen in het beloofde land.

Het feest van de bazuinen (sjofar)

Paulus en de christenen uit zijn tijd waren ongetwijfeld van deze profetische betekenissen van de feesten op de hoogte. Hoewel de Bijbel dit niet expliciet vermeldt, zijn veel uitleggers het er over eens dat het feest van de bazuinen vooruitziet naar de komst van de Messias. Deze komst zal plaatsvinden vlak voordat Israël als geheel tot geloof komt (Romeinen 11:25). En zal ook gepaard gaan met bazuingeschal!

Elk jaar werd dit feest opnieuw gevierd en klonken de bazuinen. De christenen, vooral de joodse christenen werden dan herinnerd aan die toekomstige gebeurtenis wanneer er luid bazuingeschal zou zijn en de Heer zijn engelen zou uitzenden om de zijnen tot zich te nemen. Vandaar dat Paulus dus spreekt van de laatste bazuin. De allerlaatste keer dat de bazuin zal klinken worden we veranderd in een ondeelbaar ogenblik en gaan we de Heer tegemoet. En misschien is het wel zo, net zoals op Pascha en Pinksterfeest, dat de opname precies zal plaatsvinden op de dag dat het feest van de bazuinen gevierd wordt. Bij de allerlaatste van die lange reeks van jaarlijkse bazuinen, zal het feest van de bazuinen wellicht zijn vervulling vinden. Op Rosh Hashana. Het feest van het nieuwe jaar. Een nieuwe tijd.

4 Pretrib en Prewrath

We concluderen dat de eindtijd een periode van letterlijk zeven jaar zal zijn. Halverwege dit tijdvak zal de grote verdrukking beginnen. De antichrist ontketent dan een wereldwijde vervolging van de kerk die zijn weerga niet kent. Op een niet te voorspellen moment in de tweede helft van die zeven jaar zal Christus terugkomen op de wolken. Alle ware christenen worden dan opgenomen in het Vaderhuis samen met hun eerder gestorven geloofsgenoten. Vervolgens zal God zijn oordelen over deze wereld laten gaan, zoals in Openbaring wordt beschreven als zeven bazuinen en zeven schalen. Aan het einde van de zevenjarige periode zal Christus de antichrist en zijn legers verslaan en zal het duizendjarig vrederijk beginnen.

Deze uitleg wordt ook wel aangeduid met de term Prewrath, omdat de opname plaatsvindt voordat de rampen van de bazuinen en schalen aanbreken, maar na de grote verdrukking. De opvatting waarbij uitgegaan wordt van een opname vóór het begin van de laatste zeven jaar staat bekend als Pretrib. Dit is de afkorting van pretribulationisme. De conclusie van dit artikel is dat Prewrath beter overeenstemt met de Bijbelse gegevens dan Pretrib. Dit onderscheid is van groot belang, ja zelfs levensbelang, wanneer de laatste jaarweek daadwerkelijk aanbreekt. Dat laatste zal niet lang meer duren, zo is de verwachting van de schrijver. Zie ook mijn boek ‘Eindtijd in zicht’.

Appendix De literaire structuur van Openbaring

In Openbaring 1:19 ontvangt Johannes zijn opdracht: “Schrijf dan hetgeen gij gezien hebt en hetgeen is en hetgeen na dezen geschieden zal”. Hiermee wordt de hoofdindeling van het boek aangeduid:

I Het visioen van de Heer Jezus

(1:1-20 – Hetgeen gij gezien hebt)

II De brieven aan de gemeenten

(2:1-3:22 – Hetgeen is)

III De visioenen

(4:1-22:21 – Hetgeen hierna geschieden zal, zie Openbaring 4:1)

Als we verder kijken ontdekken we vier duidelijke en prominente structuren ieder bestaande uit zeven elementen. Deze vier heptaden zijn:

A De zeven brieven

B De zeven zegels

C De zeven bazuinen

D De zeven schalen

Elke heptade begint met een soort introductie: voordat Johannes de zeven brieven ontvangt, ziet hij de Heer Jezus die de brieven dicteert; voordat de zegels worden verbroken ziet Johannes de boekrol waarop deze zegels zijn aangebracht; voor het blazen van de zeven bazuinen ziet Johannes de engelen die de zeven bazuinen vasthouden; en voor de plagen van de schalen ziet Johannes de engelen met de zeven schalen.

Verder kunnen de verzen 1:1-8 kunnen beschouwd worden als de inleiding op het hele boek. Analoog hieraan vormen de verzen 22:12- 21 de afsluiting of conclusie. Immers in vers 10 en 11 wordt het profetisch gedeelte beëindigd.

Als we de tekst volgens de inleiding, de afsluiting en de heptaden indelen inclusief hun introducties, en wel zodanig dat het eind van een heptade steeds samenvalt met het laatste duidelijke gevolg van het zevende element daarin, dan ontstaat het volgende beeld.

Inleiding 1:1-8

A De zeven brieven 1:9-3:22

B De zeven zegels 5:1-8:1

C De zeven bazuinen 8:2-11:19

D De zeven schalen 15:1-16:21 Conclusie 22:12-21

De volgende delen van Openbaring vallen buiten deze indeling: 4:1-11, 12:1-14:20, 17:1-22:11.

Het gedeelte 17:1-22:11 valt uiteen in twee delen die de twee tegenovergestelde steden beschrijven, namelijk Babylon (voorgesteld als hoer) en het nieuwe Jeruzalem (voorgesteld als bruid). Beide delen worden op dezelfde wijze geïntroduceerd. Eén van de engelen van de zeven schalen neemt Johannes in de geest mee en laat hem de hoer zien (17:1). In Openbaring 21:9 toont één van de zeven engelen de bruid, de vrouw van het Lam. Beide delen eindigen ook op een overeenkomstige wijze. Johannes valt neer voor een engel om hem te aanbidden waarna deze hem zegt om dat niet te doen (19:10 en 22:9). We kunnen de tekst daarom indelen op grond van de aanwezigheid van de twee “schaal- engelen”. Namelijk 17:1-19:9 en 21:9-22:11.

Bij nadere beschouwing bevat het tussengedeelte van 19:10-21:8 zeven keer de uitdrukking “en ik zag”: 19:11 (de Heer Jezus en de legers in de hemel); 19:17 (een engel staande op de zon); 19:19 (het Beest en de koningen en hun legers op de aarde); 20:1 (een engel die uit de hemel neerdaalt om de duivel te binden); 20:4 (het duizendjarig rijk); 20:11 (de grote witte troon); 21:1 (nieuwe hemel en nieuwe aarde). In deze zeven gezichten is een substructuur te herkennen: in het eerste ziet Johannes een aanvoerder en zijn leger, in het tweede een engel, in het derde een andere aanvoerder en een leger, in het vierde weer een engel, in het vijfde tronen en een groep mensen die is opgestaan (martelaren); in het zesde een troon en een andere groep mensen die opgestaan zijn; en tenslotte in het zevende de nieuwe schepping. Dus een soort rijmschema: A-B-A-B-C-C-x. Met andere woorden we kunnen deze zeven gezichten (“en ik zag”) beschouwen als een vijfde heptade. Hiermee ontstaat de volgende indeling van het boek: Inleiding 1:1-8

A De zeven brieven 1:9-3:22

B De zeven zegels 5:1-8:1

C De zeven bazuinen 8:2-11:19

D De zeven schalen 15:1-16:21

E De hoer: Babylon 17:1-19:10

F De zeven visioenen 19:11-21:8

G De bruid: Nieuw Jeruzalem 21:9-22:11

Conclusie 22:12-21

Buiten deze indeling vallen de tekstgedeelten 4:1-11 en 12:1-14:20. Het gedeelte 12:1-14:20 valt duidelijk buiten de beschrijvingen van de bazuinen en de schalen. Bij nadere beschouwing kan dit gedeelte ook weer worden onderverdeeld in zeven passages: de vrouw bekleed met de zon (12:1), de draak (12:3); het Beest uit de zee (13:1); de koppen van het Beest (13:3); het beest uit de aarde (13:11); het Lam en de 144000 (14:1); de drie engelen (14:6). De laatste van deze vijf visioenen beginnen ook steeds weer met de uitdrukking “en ik zag”. Alleen de eerste twee wijken hiervan enigszins af en beginnen met “er werd een teken in de hemel gezien”. Opmerkelijk is dat de eerste twee ge zichten betreffen die al gebeurd zijn, terwijl de andere vijf nog moeten plaatsvinden. We kunnen dus concluderen dat ook het gedeelte van 12:1-14:13 een heptade is.

Het gedeelte 4:1-11 valt niet uiteen in een aantal verschillende elementen, maar vormt een duidelijke eenheid. Bovendien kan men wel stellen dat het zelfs een eenheid vormt met hoofdstuk 5. Kunnen we daarom 4:1-11 niet beschouwen als een deel van de inleiding van de periode van de zeven zegels? Ons inziens is dat juist en krijgen we dan de volgende indeling van het hele boek, waarbij het gedeelte 14:14-20 op zichzelf staat. Dit gaat over een tweevoudige oogst. Degene die eerste oogst binnenhaalt is “Iemand als een Mensenzoon” die op een witte wolk zat. Er is geen twijfel of dit verwijst naar de wederkomst en de opname, waarbij de Heer al de zijnen met zich mee zal nemen naar het Vaderhuis. De tweede oogst is een druivenoogst, die oordeel en wraak verbeeldt. Deze oogst staat in feite symbool voor het oordeel voor allen die verloren gaan. Het visioen van de tweevoudige oogst is het hoofdonderwerp van het boek. Vandaar dat het ook precies in het midden staat, als je naar de structuur kijkt. Dit verklaart ook dat de opname eerder niet werd genoemd, maar dat alleen de gevolgen werden beschreven. Zodat de focus volledig op 14:14-20 zou liggen.

Inleiding1:1-8
1De zeven brieven1:9-3:22
2De zeven zegels4:1-8:1
3De zeven bazuinen8:2-11:19
4De zeven visioenen12:1-14:13(van de oude bedeling tot het einde van de laatste jaarweek)
De tweevoudige oogst14:14-20
5De zeven schalen15:1-16:21
6De hoer: Babylon17:1-19:10
7De zeven visioenen19:11-21:8(van de overwinning van het Lam tot de nieuwe schepping)
8De bruid: Nieuw Jeruzalem21:9-22:11
Conclusie22:12-21

Opmerking 1:

In de Bijbel staat het getal 6 voor de mens, het is minder dan het goddelijke volmaaktheidsgetal 7. De mens is op de zesde dag geschapen. Vergelijk het getal van het Beest: 666.

Daarentegen is 8 het getal van de opstanding, van de Heer Jezus. Hij stond op op de eerste dag na de sabbat, dus de achtste dag.

In het bovenstaande schema zien we dat de 6e heptade Babylon beschrijft en de 8e over de Bruid van Christus gaat.

Ook kunnen we de eerste zeven heptaden beschouwen als reeksen gebeurtenissen die moeten plaatsvinden om tot de volmaaktheid te komen van de 8e, het nieuwe Jeruzalem. Dus een struktuur van 7 + 1.

Merk op dat de hoofdstukken 12 tot en met 14 precies in het midden van deze reeks van 7 staan. Zie het commentaar bij 4.2.

Het gedeelte over Babylon kan in zes (geen 7!) passages worden onderverdeeld:

1 17:1-6 Het visioen van de hoer Babylon

2 17:7-18 De uitleg van het visioen

3 18:1-3 Aankondiging van de val van Babylon

4 18:4-24 De uitleg (uitwerking) van de val van Babylon

5 19:1-5 Lied op de val van Babylon

6 19:6-10 Lied op de bruiloft van het Lam

De literaire beginmarkeringen van de passages zijn o.i.: de engel sprak met mij (17:1); de engel zeide tot mij (17:7); hierna zag ik een andere engel ..en hij riep ..zeggende (18:1,2); en ik hoorde een andere stem (18:4); hierna hoorde ik een luide stem van een grote schare (19:1); en ik hoorde als een stem van een grote schare, ..wateren… donderslagen (19:6). In tegenstelling tot 12:1-14:20 wordt er hier niet steeds gesproken van “en ik zag” maar “en ik hoorde”. Tevens zien we dat ook hier de eerste twee van de reeks enigszins afwijken. In 12:1-14:20 was dat “en er werd een teken gezien”. Hier is dat “de engel zeide tot mij”. Het rijmschema is ook hier A-B-A-B-C-C.

Het gedeelte over het Nieuwe Jeruzalem kan in twee stukken worden onderscheiden: 21:9-27 en 22:1-5 welke beginnen met respectievelijk “ik zal u tonen: en “hij toonde mij”. De twee gedeelten laten geen duidelijke onderverdelingen zien. Wanneer we echter meer naar de inhoud kijken valt het op dat in ieder stuk vier elementen voorkomen. In het eerste stuk gaat het meer over de buitenkant: de muren, de poorten, de fundamenten, en de tempel. In het tweede stuk de binnenkant: de rivier, de troon, de bomen, en het licht. In totaal dus acht (!) elementen.

Opmerking 2:

Men kan het gedeelte van de zeven brieven ook laten beginnen bij 1:20 of 2:1. De inleiding wordt dan overeenkomstig langer. Het voordeel is dat deze indeling in harmonie is met de eerder genoemde trits: Hetgeen gij gezien hebt; Hetgeen is; Hetgeen hierna geschieden zal;

Voetnoten

  1. Dit geldt niet voor de Staten Vertaling en de Herziene Staten Vertaling, welke zijn gebaseerd op de Textus Receptus. Voor andere vertalingen geldt dit wel, zoals onder andere de NBG, NBV, WV en de Telosvertaling. Deze gaan uit van handschriften die (veel) ouder zijn dan de Textus Receptus.
  2. Vrij naar James Akin, “The structure of Revelation” , 1996

De opname van de Gemeente