Chronologie van de laatste koningen van Juda en de val van Jeruzalem

Theo Algra

Over het jaar van de verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnezar verschillen de geleerden van mening. Dit komt vooral omdat er van deze gebeurtenis (nog) geen verslagen zijn teruggevonden in de Babylonische archieven. Finegan en Thiele stellen dat dit in het jaar 586 vC gebeurde, terwijl Rodger Young in een uitgebreid artikel het jaar 587 vC verdedigt. We gaan op deze kwestie in omdat dit samenhangt met de vaststelling van de chronologie van het Oude Testament, inclusief de zeventig jaarweken.

Referenties naar de verwoesting van de stad en de regeringen van de Judese koningen in die tijd vinden we terug in vijf Bijbelboeken: Jeremia, 2 Koningen, 2 Kronieken, Ezechiël en Daniël.

Om de referenties naar de regeringsjaren goed te interpreteren, moeten we eerst weten of er met Tisri-jaren of met Nisan-jaren werd gerekend. En bovendien, of de regeringsjaren werden gerekend op basis van postdatering of predatering. In appendix A worden deze begrippen uitgelegd. Voor het gemak geven we in dit artikel een Tisri-jaar aan met de letter t en een Nisan-jaar met de letter n. Bijvoorbeeld 587t is het Tisri-jaar dat begint op 1 Tisri 587 vC en loopt tot en met de maand Elul in 596 vC. Met 586n bedoelen we het Nisan-jaar dat begint op 1 Nisan 586 vC en loopt tot en met de maand Adar in 585 vC.

Postdatering

Volgens 2 Koningen 23:36 regeerde Jojakim elf jaar. Josia stierf bij Megiddo, in een veldslag met farao Necho in 609 vC (2 Koningen 23:29). Dit moet gebeurd zijn in de maand Tammuz. Josia werd opgevolgd door zijn zoon Joachaz, maar deze werd door Necho niet geaccepteerd. Necho zette Joachaz af en verving hem door Jojakim, in of na Tisri 609 vC.

Jojakim stierf in 598 vC. Dit volgt uit 2 Koningen 24:8, want hij werd opgevolgd door zijn zoon Jojachin, die drie maanden en tien dagen heeft geregeerd (2 Kronieken 36:9). De geschiedenis herhaalde zich: Nebukadnezar accepteerde Jojachin niet, nam hem gevangen, en verving hem door Zedekia. De datum waarop Jeruzalem werd ingenomen en Jojachin werd afgezet, is nauwkeurig bekend. Een Babylonische inscriptie beschrijft deze gebeurtenis met als datering 2 Adar 597 vC. Dus Jojakim stierf rond 22 Kislev 598 vC.

Op basis van deze data – de troonsbestijging in Tisri 609 vC en het overlijden in Kislev 598 vC - concluderen we dat men postdatering heeft toegepast. In het geval van predatering zou de regeringsduur namelijk 12 jaar moeten zijn. Postdatering is ook het meest logisch, want dit werd altijd al toegepast door de koningen van Juda en was bovendien de heersende gewoonte bij de koningen van Assyrië en Babylonië.

Regeringsjaren

Eén van de sleutelverzen is 2 Koningen 25:1. Hierin wordt vermeld dat het beleg van Jeruzalem begon op 10 Tebet in het 9e jaar van Zedekia. Dezelfde mededeling is terug te vinden in Jeremia 39:1 en 52:4. De vraag hierbij is of het 9e jaar van Zedekia een Tisri-jaar was of een Nisan-jaar. Als het een Tisri-jaar was, dan werd Jeruzalem belegerd vanaf 10 Tebet 589. Want het eerste regeringsjaar is in dat geval 597t (postdatering!) en het 9e jaar 589t. Volgens 2 Koningen 25:2 en 8 viel de stad op 7 Av in het 11e jaar van Zedekia. Het 11e jaar is 587t. Dus de datum van de verovering is 7 Av 586. In Jeremia 52:28 wordt trouwens 10 Av aangehouden voor de definitieve val van de stad.

Maar als we de regeringsjaren van Zedekia volgens de Nisan-kalender moeten rekenen, dan kan zowel 596n als 597n het eerste jaar zijn. Dit hangt ervan af of Zedekia werd aangesteld vóór of na 1 Nisan. Het beleg is dan begonnen respectievelijk op 10 Tebet 588 of 10 Tebet 589.

Maar was het eerste regeringsjaar van Zedekia nu 597t, 596n of 597n? Het antwoord vinden we in Ezechiël. Ezechiël, die net als Jojachin in 597 in ballingschap ging, refereert zelf niet naar de regeringsjaren van Zedekia. Hij gebruikt als referentie het beginjaar van zijn (en Jojachins) ballingschap. Zie Ezechiël 1:1,2 en, onder andere, 33:21. Het eerste jaar van Ezechiëls ballingschap was 597n. Als priester gaf hij uiteraard de voorkeur aan de Nisan-kalender. In Ezechiël 24:1 openbaart de Heer hem in Babylon dat de belegering van Jeruzalem is begonnen: op de 10e van de tiende maand in het 9e jaar. Het jaar is 589n. De datum is 10 Tebet 589. Dit betekent dat 596n niet Zedekia’s eerste jaar kan zijn. Volgens Jeremia 1:3 werd de stad veroverd in het 11e jaar van Zedekia. Als het eerste jaar 597t is, dan is het 11e jaar 587t. Maar als het eerste jaar 597n is, dan is het 11e jaar 587n. Uit Ezechiël 33:21 weten we dat de stad werd veroverd in het 12e jaar van Ezechiëls ballingschap: 586n. We concluderen hieruit dat alleen 597t voldoet als eerste regeringsjaar van Zedekia. Dit klopt met Jeremia 1:3 waarin staat dat Jeruzalem viel aan het einde van het 11e jaar van Zedekia. Dit wijst op een Tisri-jaar.

Dit betekent dus dat de regeringsjaren van Zedekia in Jeremia en in 2 Koningen Tisri-jaren zijn, net zoals dat bij de koningen voor hem vanaf Josia het geval was. Tevens, dat postdatering werd toegepast.

Postdatering toegepast op Jojakim betekent dat 608t zijn eerste regeringsjaar was en 598t zijn elfde en laatste. Het jaar 609t was zijn kroningsjaar. Dit klopt met Daniël 1:1, waar de veldtocht van Nebukadnezar van 605 vC wordt gedateerd als het derde jaar van Jojakim.

Nisan-jaren in het dagelijks leven

Hoewel de regeringsjaren van de koning in Tisri-jaren werden gerekend, gebruikte men in het dagelijks leven de Nisan-kalender. Dit blijkt uit Jeremia 28:1 en 28:17.

De regeringsjaren van Nebukadnezar

Een tweede vraag is hoe de regeringsjaren van Nebukadnezar moeten worden geïnterpreteerd. In Babylon zelf werd de Nisan-kalender gebruikt. Bovendien paste men postdatering toe. Nebukadnezar volgde zijn vader Nabopolassar op in 605. Zijn troonsbestijging was op 1 Elul van dat jaar. Zijn eerste regeringsjaar was derhalve 604n. Maar kan het zijn dat zijn regeringsjaren in de Bijbel als Tisri-jaren worden gezien? Dus vanuit een joods perspectief? In dat geval zou 605t het eerste jaar zijn. 2 Koningen 25:8 meldt dat Jeruzalem viel in het 19e jaar van

2 Koningen 25:8 meldt dat Jeruzalem viel in het 19e jaar van Nebukadnezar. Aangezien dit in de maand Av (5e maand) was, kan dit 19e jaar zowel 587t als 586n zijn. Jeremia 32:1 zegt dat het 10e jaar van Zedekia samenviel met het 18e

Jeremia 32:1 zegt dat het 10e jaar van Zedekia samenviel met het 18e van Nebukadnezar. Zedekia’s 10e jaar was 588t. Dus met het 18e van Nebukadnezar kan zowel 587n als 588t zijn bedoeld.

2 Koningen 24:12 zegt dat Jojachin gevangen werd genomen in het 8e jaar van Nebukadnezar. De Babylonische datum was 2 Adar 597, dus nog in 598n, het 7e Babylonische regeringsjaar van Nebukadnezar. De joodse datum was 2 Adar-II, want in de Babylonische kalender was in 598n een schrikkelmaand Ululu-II ingevoegd. De joodse schrikkelmaand Adar-II werd in die tijd nog niet zo genoemd. Sterker, in de Bijbel heeft de schrikkelmaand helemaal geen naam. Ook niet als een “dertiende maand”. De schrikkelmaand werd in feite simpelweg beschouwd als een uitstel van het begin van het jaar. Vandaar dat deze maand hier wordt aangeduid als “ de terugkeer van het jaar” (2 Kronieken 36:10). Het is niet helemaal duidelijk of deze tussenperiode werd gerekend tot het oude of het nieuwe Nisan-jaar. In het eerste geval zou dat betekenen dat we moeten uitgaan van een Tisri-jaar in 2 Koningen 24:12.

Uit bovenstaande teksten kunnen we geen definitieve conclusie trekken over het antwoord op de vraag of de regeringsjaren van Nebukadnezar als Tisri-jaren of als Nisan-jaren zijn bedoeld in de boeken Jeremia, 2 Koningen en 2 Kronieken.

Enkele probleemteksten

a) Jeremia 46:2

Jeremia 46:2 dateert de slag bij Karkemis tussen farao Necho en Nebukadnezar in het vierde jaar van Jojakim, dat is Tisri-jaar 605t. Deze slag vond echter plaats in de zomer van 605 en dus in het derde jaar van Jojakim. Vergelijk Daniël 1:1. De oplossing voor deze moeilijkheid wordt gevonden door ervan uit te gaan dat de profetie is uitgesproken in het vierde jaar. De Hebreeuwse tekst biedt de mogelijkheid tot zo’n lezing volgens prof. Siegfried Horn: “The word of Yahweh which came to Jeremiah the prophet, against the nations; about Egypt: against the army of Pharaoh Neco, king of Egypt (which had been at the river Euphrates at Carchemish and which Nebuchadrezzar king of Babylon had defeated) in the 4th year of Jehoiakim the son of Josiah, king of Judah."

b) 2 Koningen 25:27

Nebukadnezars zoon Evil Merodach verleende aan Jojachin gratie ter gelegenheid van zijn troonsbestijging (562n). Jojachin kwam vrij op 27 Adar. Blijkbaar moeten we de ballingschap van Jojakim in actuele jaren rekenen. Deze was begonnen op 2 Adar (Babylonische kalender). Volgens de Hebreeuwse kalender was dit op 2 Adar-II (omdat de Babyloniërs in 598 een schrikkelmaand Ululu-II hadden ingelast). Het 37e jaar van zijn ballingschap begon kennelijk op 2 Adar 561.

c) Jeremia 52:28

Dit betreft een deportatie van ruim 3000 personen, een jaar eerder dan de deportatie van circa 10.000 personen in 597 vC.

d) Jeremia 52:29

Dit betreft een deportatie van ruim 800 personen, een jaar eerder dan de deportatie van bijna alle inwoners in 586 vC (2 Koningen 25:12, 20). Wellicht waren dit mensen die uit de stad waren gevlucht toen het beleg tijdelijk was opgeheven.

Het jaar van Ezechiël 40:1

Zoals opgemerkt refereren de jaartallen in Ezechiël naar het begin van Ezechiëls ballingschap in 597n.

De meest opmerkelijk datum in Ezechiël is de dag waarop hij het beroemde tempelvisioen ontving. Ezechiël 40:1:

In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, aan het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar nadat de stad was verslagen, op diezelfde dag was de hand van de HEERE op mij en bracht Hij mij erheen (HSV).

Het betreft hier een dubbele datering. Omdat een jubeljaar altijd begon op 10 Tisri en omdat rosh hashana betekent “begin van het jaar” gaat het hier om de start van een jubeljaar zo stelt de joodse traditie.

Deze uitleg wordt door veel wetenschappers in twijfel getrokken. De betekenis van rosh hashana als aanduiding voor de nieuwjaarsdatum van 1 Tisri kwam pas in rabbijnse tijden in zwang. We moeten daarom de letterlijk betekenis aanhouden. Bovendien refereert Ezechiël niet naar de zevende maand en ook niet naar het jubeljaar.

Waarschijnlijk wordt hier de datum 10 Av bedoeld. Het 25e jaar sinds de ballingschap van Ezechiël was het jaar 573n. De datum 10 Av 573 was de eerste dag van het veertiende jaar gerekend vanaf de verwoesting van de tempel op 10 Av 586. Hieruit volgt dat het jaartal van Ezechiël 40:1 consistent is met het jaar 586 als datering voor de val van Jeruzalem (contra Young).

Andere bijbelgeleerden zijn van oordeel dat het om 10 Nisan 573 vC gaat, omdat Ezechiël rekent in Nisan-jaren en zijn ballingschap begon in 597 vC. Deze datum wordt onder andere verdedigd door Finegan. Hij veronderstelt dat Ezechiëls ballingschap klaarblijkelijk begon op de 10e Nisan in 597 vC. Maar als dit juist zou zijn is het wel erg merkwaardig dat er niet gesproken wordt van de “eerste maand”. Een alternatieve mogelijkheid is dat het de tiende van de schrikkelmaand betrof. Deze maand heeft geen naam in de Bijbel en wordt in feite beschouwd als een tussentijd van 30 dagen, die de maandtelling onderbreekt. Vandaar dat er wordt volstaan met rosh hashana = begin van het jaar. Volgens Parker & Dubberstein was er inderdaad sprake van een schrikkelmaand Adar-II in de Babylonische kalender van dat jaar.

Priesterdiensten

Een opmerkelijke bevestiging van het jaartal 586 is te vinden in de Talmoed, waar gezegd wordt dat de priesterafdeling van Jojarib dienst had zowel tijdens de verwoesting van de tempel in 586 vC als ook op het moment dat de tweede tempel werd verwoest in het jaar 70 nC. Het rotatieschema van de 24 priesterafdelingen, die om de beurt een week dienst hadden, blijkt hiermee exact in overeenstemming te zijn als uitgegaan wordt van het jaar 586.

Conclusies

  • Jeruzalem werd door Nebukadnezar veroverd in het jaar 586 vC
  • In de Bijbelboeken 2 Koningen, 2 Kronieken, Jeremia, en Daniël, worden regeringsjaren van Judese koningen in Tisri-jaren weergegeven.
  • De datum van het tempelvisioen van Ezechiël 40:1 is hoogstwaarschijnlijk: 10 Av in 573 vC.
Tabel 1  Regeringsjaren koningen
KoningKroningEerste regeringsjaarRegeringsduur
Josia639639t31
Joahaz609 (Tammuz)3 maand
Jojakim609 (Tisri)608t11 jaar
Jojachin598 (Kislev)3 maand
Zedekia597 (Nisan)597t11 jaar
Nebukadnezar605 (Elul)605n43 jaar

Voetnoten

  1. Finegan (1998) §430
  2. Green (1982)
  3. Finegan (1998) §437. Bijzonderheid: 2 Adar was een sabbat. Dit verklaart wellicht de snelle overgave.
  4. Hetzelfde geldt voor Zedekia (vergelijk Jeremia 52:1 en 5 met Jeremia 28:1)
  5. Thiele (1983)
  6. Echter, na ongeveer een jaar heeft Nebukadnezar zich een aantal maanden terug moeten trekken vanwege de dreiging van een Egyptische aanval. Enkele maanden later hervatte hij de belegering (Jeremia 37:11 en 38:28).
  7. Zoals we hierna zullen zien, begon het eerste jaar van Ezechiëls ballingschap iets eerder, namelijk op 10 Adar-II.
  8. Thiele heeft erop gewezen dat de activiteiten die Josia in zijn 18e regeringsjaar ondernam om het land en de tempel te heiligen werden afgerond vóórdat men Pesach vierde in datzelfde jaar (2 Koningen 22:3-23:23). Aangezien dit veel meer tijd moet hebben gekost dan een week of twee, moet Josia’s 18e regeringsjaar als een Tisri-jaar worden beschouwd. Een argument dat door Clines (1974) wordt genoemd is de opdracht van Jeremia aan Baruch om zijn profetieën te boek te stellen in het vierde jaar van Jojakim en deze vervolgens voor te lezen op een vastendag in de tempel. De voorlezing gebeurde in de negende maand van het vijfde jaar. Op grond hiervan is een telling in Nisanjaren onwaarschijnlijk. Want dan zou het opschrijven van de profetieën minstens negen maand in beslag hebben genomen, ondanks de urgentie die uit de verzen spreekt. Zie Jeremia 36:1,9. Bovendien werd volgens de LXX de wetsrol ontdekt in de achtste maand van het achttiende jaar en werd in datzelfde jaar Pesach gevierd (Vergelijk 2 Koningen 22:3 en 23:23)..
  9. Parker en Dubberstein (1942)
  10. Dus als het ware het startpunt van een rondreis, dat tegelijkertijd het eindpunt is.
  11. Horn (1967) p. 26
  12. Malamat (1968) p. 154
  13. Babylonische Talmoed Arakhin 12a
  14. Dat wil zeggen het veertiende jaar liep van 10 Av 573 tot 9 Av 572. De joodse theoloog Ibn Ezra was voorstander van deze uitleg.
  15. De LXX vertaalt met “de eerste maand”, dus de maand Nisan
  16. Finegan (1998) §439, 453
  17. Parker & Dubberstein (1942)

Referenties

Algra, Theo, De joodse kalender in de tijd van het Nieuwe Testament, eindtijdinzicht.nl, 2020

Algra, Theo, De priesterorden en hun betekenis voor de Bijbelse chronologie, eindtijdinzicht.nl, 2022a

Algra, Theo, De grafstenen van Zoar, eindtijdinzicht.nl, 2022b

Clines, D.J.A., The evidence for an autumnal new year in pre-exelic Israel reconsidered, Journal of Biblical Literature, Vol.93, No.1, 1974

Finegan, Jack, Handbook of Biblical chronology, Revised edition, Peabody: Hendrickson Publ, 1998

Doeve, J. W., Het palestijns jodendom tussen 500 vóór en 70 na Chr. Middelburg : Stichting de Gihonbron, 1973

Galil, Gershon, The Chronology of the Kings of Israel and Judah, Leiden: E. J. Brill, 1996

Green, Alberto R. The Chronology of the Last Days of Judah: Two Apparent Discrepancies, Journal of Biblical Literature 101, no. 1 (1982): 57–73.

Hoehner H. W. Chronological aspects of the life of Christ, Zondervan, 1978.

Horn, S. H., and L. H. Wood, The Fifth-Century Jewish Calendar at Elephantine, Journal of Near Eastern Studies 13, no. 1 (1954): 1–20.

Horn, Siegfried H., The Babylonian chronicle and the ancient calendar of the kingdom of Judah, Andrews University Seminary Studies 5 (1967), pp. 12-27

Jones, Floyd N., Chronology of the Old Testament, The Woodlands, Texas: KingsWord Press, 2002

Malamat, A., The last kings of Judah and the fall of Jerusalem, Israel Exploration Journal, Vol. 18, No. 3, 1968, pp. 137-156

Parker, Richard A., Waldo H. Dubberstein, Babylonian Chronology, 626 B.C. – A.D. 45, Chicago: The University of Chicago Press, 1942

Porter, Bezalel, The calendar of Aramaic texts from Achaemenid and Ptolemaic Egypt, Irano-Judaica 11, Jeruzalem, 1990

Sarna, Nahum, Zedekia’s emancipation of slaves and the sabbatical year, in Harry A. Hoffner, ed., Orient and Occident: Essays Presented to Cyrus H. Gordon on the Occasion of His Sixty-Fifth Birthday (Kevelaer: Butzon & Bercker, 1973), 143-149

Steinmann, Andrew E., From Abraham to Paul, a Biblical Chronology, St. Louis: Concordia Publ., 2011

Stern, Sacha, The Babylonian Calendar at Elephantine, Zeitschrift Für Papyrologie Und Epigraphik 130 (2000): 159–71.

Thiele, Edwin R., The mysterious numbers of the Hebrew kings, Grand Rapids: Kregel Publications, 1983

Young, Rodger C., When did Jerusalem fall?, Journal Evangelical Theological Society, Vol. 41, No. 1, 2004, pp. 31-38

Young, Rodger C., Ezekiel 40:l as a corrective for seven wrong ideas in biblical interpretation, Andrews University Seminary Studies, Vol. 44, No. 2, 2006, pp. 265-283

Appendix A — Begrippen

Postdatering

Bij postdatering geldt dat het eerste volle kalenderjaar van de regering van een koning wordt gerekend als het eerste regeringsjaar. Het jaar van de troonsbestijging wordt gerekend als het laatste regeringsjaar van zijn voorganger, de afgetreden of gestorven koning.

Predatering

Bij predatering geldt het jaar van de troonsbestijging als eerste regeringsjaar. Zelfs als de troonsbestijging plaatsvind kort voor het einde van dat kalenderjaar. Dit jaar wordt tevens gerekend als laatste regeringsjaar van zijn voorganger. Met andere woorden, het eerste regeringsjaar van een koning is identiek aan het laatste van zijn voorganger.

Nisan-jaren

De godsdienstige kalender begint op 1 Nisan (Abib), de eerste maand. In de tijd van het Oude Testament viel 1 Nisan samen met de eerste nieuwe maan na de voorjaarsequinox (21 maart). In de huidige (vaste) joodse kalender valt 1 Nisan iets vroeger, zodanig dat Pesach op of na de voorjaarsequinox valt. Voor het gemak noemen we kalenderjaren die op 1 Nisan beginnen “Nisan-jaren”. Tisri-jaren

Tisri-jaren

De burgerlijke kalender begint op 1 Tisri, de zevende maand. Deze kalender wordt in de Bijbel gebruikt voor het aangeven van regeringsjaren, sabbatjaren en jubeljaren. Merk op dat de nummering van de maanden niet anders is dan bij Nisan-jaren. Dus een Tisri-jaar begint met de zevende maand en eindigt met de zesde maand. Voor het gemak noemen we kalenderjaren die op 1 Tisri beginnen “Tisri-jaren”.

eindtijdinzicht.nl © 2022, 2023

Chronologie van de laatste koningen van Juda