In zijn nieuwste boek Het Lam, de draak & de Domtoren presenteert Willem Ouweneel een ingrijpende wijziging van zijn toekomstvisie. Volgens hem is het niet te verwachten dat er vóór de wederkomst van Christus een derde tempel in Jeruzalem zal worden gebouwd. Pas in het messiaanse vrederijk – het duizendjarig rijk – zou er weer een tempel komen.
Die conclusie is opmerkelijk, omdat Ouweneel jarenlang een uitgesproken verdediger was van het pretribulationisme. In eerdere werken, zoals De Openbaring van Jezus Christus (deel 1 en 2, 1990) en De toekomst van God (2012), stelde hij duidelijk dat de gemeente vóór de grote verdrukking zou worden opgenomen en dat er tijdens de laatste zeven jaar vóór het vrederijk een tempel in Jeruzalem zou staan waarin de Antichrist zich zou openbaren.
Die overtuiging heeft hij nu losgelaten. De voornaamste reden is niet zozeer een nieuwe exegese van de Bijbel, maar een praktische overweging: de tempelberg is tegenwoordig een heilige plaats voor de islam. Volgens Ouweneel is het daarom vrijwel onmogelijk dat daar vóór de wederkomst een Joodse tempel zal verrijzen. Zelfs als de Rotskoepel zou verdwijnen, zo stelt hij, zou de islamitische wereld binnen korte tijd miljarden dollars bijeenbrengen om het heiligdom opnieuw op te bouwen.
Daarom concludeert hij dat de tempelbouw vóór de wederkomst niet realistisch is. En omdat er volgens hem geen tempel zal zijn, moet ook de laatste jaarweek van Daniël 9 anders worden uitgelegd. Die zou dan niet meer in de toekomst liggen, maar in de eerste eeuw, of zelfs een symbolische periode van vele eeuwen vertegenwoordigen. Zo worden de 1260 dagen uit Openbaring bijvoorbeeld 1260 jaar.
Maar hier rijst een fundamentele vraag: mogen we Bijbelse profetie aanpassen omdat de vervulling ons politiek onwaarschijnlijk lijkt?
Wat Jezus zegt
Wanneer Jezus spreekt over de toekomst in Mattheüs 24, noemt Hij een concreet teken: de “gruwel der verwoesting” die op de heilige plaats zal staan (Mattheüs 24:15). Op dat moment moeten de inwoners van Judea onmiddellijk vluchten. Die uitspraak verwijst duidelijk naar een afgodsbeeld dat in de tempel wordt geplaatst. Meteen daarna, zegt Jezus, zal een verdrukking beginnen “zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld tot nu toe, en ook nooit meer zal zijn”. Uit Openbaring 7:9 en Openbaring 7:14 weten we dat deze vervolging wereldwijd zal zijn. De martelaren komen uit alle volken en talen.
Sommigen proberen deze woorden te verbinden met de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70. Maar dat past eenvoudigweg niet bij de beschrijving van Jezus. Die gebeurtenis was verschrikkelijk, maar niet wereldwijd en ook niet de grootste verdrukking uit de wereldgeschiedenis. Zelfs de Holocaust voldoet niet aan de omschrijving die Jezus geeft. Jezus spreekt over een ongekende, wereldwijde verdrukking. Zo’n periode heeft de wereld tot nu toe nog niet meegemaakt. Daarom ligt deze profetie nog in de toekomst. Maar als er in die tijd een “gruwel der verwoesting” op de heilige plaats staat, dan moet er ook een tempel zijn.
Wat Paulus zegt
De apostel Paulus bevestigt dit beeld. In 2 Thessalonicenzen 2:4 schrijft hij dat de “mens der wetteloosheid” – de Antichrist – plaatsneemt in de tempel van God en zichzelf als God laat vereren. Dat gebeurt vóór de “Dag van de Heer”. Toen Paulus deze woorden schreef, stond de tempel in Jeruzalem er nog. Zijn lezers zouden zijn woorden vanzelfsprekend letterlijk hebben opgevat. Er is niets in de tekst dat suggereert dat hij hier eigenlijk de kerk bedoelt.
De poging om de tempel te vergeestelijken is daarom exegetisch zwak. Zij lijkt vooral ingegeven door de wens om een probleem op te lossen: als er geen tempel kan komen, dan moet de tempel wel symbolisch bedoeld zijn. Maar zo werkt Bijbeluitleg niet.
Politieke waarschijnlijkheid is geen hermeneutiek
Het centrale argument van Ouweneel is uiteindelijk politiek: zolang de islam de tempelberg controleert, is tempelbouw ondenkbaar. Maar dat is een merkwaardige manier om met profetie om te gaan. In de Bijbel worden gebeurtenissen niet voorspeld omdat ze politiek waarschijnlijk zijn. Integendeel: vaak lijken ze juist onmogelijk totdat ze plotseling werkelijkheid worden. Wie had bijvoorbeeld vóór 1948 gedacht dat de staat Israël opnieuw zou ontstaan? Toch gebeurde het.
Profetie moet daarom niet worden aangepast aan de huidige geopolitiek. Het is eerder de geschiedenis die zich uiteindelijk aanpast aan Gods plan.
De locatie van de tempel
Daar komt nog iets bij. Het is helemaal niet zeker dat de tempel precies stond waar nu de Rotskoepel staat. Sommige Israëlische archeologen verdedigen andere locaties op het tempelplein.
Zo stelt Tuvia Sagiv dat de tempel gestaan heeft tussen de Rotskoepel en de Al-Aqsamoskee. Volgens hem zou daar op het tempelplein voldoende ruimte zijn voor een tempel zonder dat de islamitische heiligdommen hoeven te verdwijnen. Eli Shukron gaat nog verder en plaatst de tempel in de Stad van David. Hoewel deze theorieën nog niet algemeen worden aanvaard, laten zij zien dat het vraagstuk complexer is dan vaak wordt gedacht.
De bouw van een tempel is dus bepaald niet zo onmogelijk als soms wordt beweerd.
De echte keuze
De kern van de discussie ligt uiteindelijk niet op het terrein van de archeologie of de geopolitiek, maar op dat van de Schriftuitleg. Gaan we de Bijbel lezen zoals hij geschreven is, of passen we de betekenis aan zodra de vervulling ons onwaarschijnlijk lijkt? Wanneer Jezus en Paulus spreken over een tempel in de eindtijd, ligt de meest natuurlijke uitleg voor de hand: zij bedoelen een echte tempel.
Daarom is er alle reden om te verwachten dat er vóór de wederkomst van Christus opnieuw een tempel in Jeruzalem zal staan. Niet omdat de politieke situatie dat waarschijnlijk maakt. Maar omdat Gods Woord het zegt.
Reactie plaatsen
Reacties